HOOFDSTUK DRIE

DE OORLOGEN IN DE BIJBEL

Wanneer we het Oude Testament van de Bijbel doorlezen, dan vinden we daar verschillende passages waarin oorlogen beschre¨ven worden. Nu zou men zich kunnen afvragen: “Waarvoor waren die oorlogen, als de God van de Bijbel, in tegenstelling tot Allah, een God van vrede is?” De God van de Bijbel is inderdaad een God van liefde en vrede; maar, omdat Hij een heilig God is, is Hij eveneens een God met een grote haat tegen zonde. Zijn heiligheid eist een snel oordeel; toch verdraagt Hij voor lange tijd de verdorvenheid van de mens. Hij gaf de IsraŽlieten kracht om hun vijanden te verslaan, niet alleen omdat Hij een speciaal belang bij de IsraŽlieten had (hoewel dat zo is en daarvan getuigt ook de Koran in Soera 2:40, 47, 122), maar vooral omdat Hij de zonde en de verdorvenheid van die andere volken haat. De genade, die de IsraŽlieten in het Oude Testament genoten, kregen zij vanwege hun voorvaders - Abraham, Isaak en Jakob, die vrienden van God waren. Terwijl andere mensen, overal ter wereld, zichzelf aan afgoden overgaven, er beelden van maakten en die de God noemden, die hemel en aarde geschapen heeft, kenden en volgden de stamvaders van de IsraŽlieten de ware God met heel hun hart. En God zegt dat Hij een God is die “de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden (geslachten) van hen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden” ( Deuteronomium 5:9-10). Een aantal volken , die bestreden en uitgeroeid werden waren heidenen , die in plaats van dat zij de God van IsraŽl aannamen, IsraŽl verleidden om afgoden te vereren ( Numeri 25:1-10; 31:1-3). Maar ook toen, tijdens hun tocht, heeft God hen geen opdracht gegeven om iemand om te brengen, voordat zij Kanaan bereikt hadden. Er vonden zoveel onbeschrijflijke zonden bij de volken van Kanaan plaats en zij zouden de IsraŽli¨eten zo gemakkelijk kunnen verleiden om zich van de ware God af te keren. Verleiden tot afgodendienst, tot astrologie, tot het brengen van mensenoffers en vooral tot het offeren van hun eigen kinderen, die voor de afgod Moloch in het vuur verbrand werden ( Deuteronomium 12:30-31). Vanwege Gods heiligheid moest Hij ook IsraŽl vernietigen, vanwege de zonde waarin de Moabieten of afgodendienaars hen gelokt hadden. God zei tegen IsraŽl dat, wanneer zij zich zouden uitleven in de verdorvenheid van deze Kanaanieten, Hij hen Zelf uitroeien zou. Meer dan enig volk ter wereld heeft IsraŽl om de afgoderij geleden. God heeft zich meer met hen bezig gehouden dan met hun vijanden. God had hen uitgekozen om de ware God aan de wereld te laten zien. Maar aan dit voorrecht was een grote verantwoordelijkheid verbonden. Er zijn veel dingen, die een willekeurig volk kan doen zonder dat het als volk zwaar door de Heer gestraft wordt. Maar dat geldt niet voor IsraŽl. Door de profeet Amos sprak God tot IsraŽl: “Hoor dit woord, dat de HERE over u spreekt, gij IsraŽlieten, over het ganse geslacht dat Ik uit het land Egypte heb gevoerd: U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken” ( Amos 2:1-2). Er is dus geen sprake van partijdigheid ten gunste van IsraŽl. Bijna alle oorlogen waarbij de IsraŽlieten betrokken waren, waren onvermijdelijk. De meeste van deze volken haatten hen gewoon (net als nu). De eerste oorlog die de IsraŽlieten uitvochten, kwam voort uit een directe aanval van de Amalekieten. Er was een korte weg van Egypte naar Kanaan, maar daar woonden de Amalekieten en die zouden hen kunnen aanvallen, maar God wilde niet, dat IsraŽl in die tijd zou vechten. Dus leidde Hij hen door een gevaarlijke wildernis, teneinde iedere con frontatie te vermijden en 'om hen uit Egypte te halen'. Maar toen zij rustten te Refidim, vielen de Amalekieten, zonder reden, toch plotseling aan, vastbesloten om IsraŽl te vernietigen. Mozes zocht het aangezicht van de Heer en stuurde toen Jozua met speciaal uitgekozen mannen naar het strijdveld; en met de hulp van God werden de Amalekieten verslagen. "En de HERE zeide tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen" (Exodus 17:14). Dat was ook de reden, dat God Koning Saul de opdracht gaf om de Amalekieten uit te roeien. Veel andere volken, die gehoord hadden van hetgeen IsraŽl in Egypte was overkomen, besloten om het aan te vallen, zodra zij maar zouden vernemen dat IsraŽl hun grondgebied betrad. “Laat ons toch door uw land trekken naar de plaats waar wij naar op weg zijn; wij zullen in uw land zelfs geen enkele vrucht van een boom plukken. Verleen ons doorgang, alstublieft.” Zo sprak en pleitte Mozes tegen de Koning van Edom. Maar deze weigerde, waarop de IsraŽlieten gedwongen waren om door Atarim terug te keren. “Toen de Kanaaniet, de koning van Arad, die in het Zuiderland (= Negev) woonde, hoorde, dat IsraŽl langs de weg van Atarim kwam, streed hij tegen IsraŽl, en voerde enigen gevankelijk weg. Daarop deed IsraŽl de HERE een gelofte en zeide: Indien Gij dit volk volkomen in mijn macht geeft, zal ik hun steden met de ban slaan. En de HERE hoorde naar IsraŽl en gaf de Kanaaniet over; toen sloegen zij hen en hun steden met de ban” ( Numeri 21:1-3). Dat was de tweede oorlog die IsraŽl uitvocht, nadat zij Egypte hadden verlaten. "IsraŽl nu zond boden naar Sihon, de koning der Amorieten, met het verzoek: Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afbuigen door akkers en wijngaarden, wij zullen geen weiwater drinken, de koninklijke weg zullen wij gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. Doch Sihon stond IsraŽl niet toe door zijn gebied te trekken, maar verzamelde zijn gehele krijgsmacht en trok IsraŽl tegemoet de woestijn in, en gekomen bijjahas, streed hij tegen IsraŽl. Maar IsraŽl sloeg hem met de scherpte des zwaards en nam zijn land in bezit ...” ( Numeri 21:21-24). "Zodra al de koningen aan de westzijde van de Jordaan ... dit hoorden, sloten zij zich aaneen om eendrachtig Jozua en IsraŽl te bestrijden” ( Jozua 9:1-2). En gelijk deze koningen, zo deden de koningen uit het noorden, maar zij werden allen verslagen ( Jozua 11). Zo gebeurde dat met alle heidense volken die IsraŽl benijdden en er bang voor waren. Opgemerkt moet worden dat er in het Nieuwe Testament niets vermeld staat over oorlogen tussen christenen en heidenen. De christenen onderwierpen zich aan de wreedheden van de heersers van die tijd. Inderdaad was ťťn van de redenen dat de joden Jezus verwierpen, dat Hij niet een leider was die hen in een oorlog tegen hun onderdrukkers, de Romeinen, kon leiden.

We kunnen in het Oude Testament duidelijk zien, dat iedere keer als IsraŽl ten strijde trok nadat het gezondigd had, zij dan verloor en er veel mensen omkwamen ( Jozua 7). Na de dood van Jozua, “riepen zij de toorn des HEREN op door de HERE te verlaten en de Baal en Astartes te dienen en Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen uitplunderden, en Hij gaf hen over in de macht van hun vijanden rondom hen, zodat zij niet meer tegen dezen konden standhouden. Telkens als zij uittrokken, was de hand des HEREN tegen hen ten verderve ...” ( Richteren 2:13-15). Het is daarom duidelijk dat, hoewel God met IsraŽl was, Hij zo heilig is dat Hij nooit zonde zal tolereren, niet bij de IsraŽlieten en ook niet bij de niet-IsraŽlieten. Toen er in de legerplaats van de IsraŽlieten gezondigd werd, moesten daar duizenden zielen voor sterven. Toen zij een gegoten kalf hadden gemaakt, die de God, die hen uit Egypte had gevoerd, moest voorstellen, ontbrandde de toorn van de HERE tegen hen en Hij was van plan om hen met ťťn veeg van de aardbodem te vegen. En Hij zou dat gedaan hebben, als Mozes niet voor hen tussenbeide gekomen was: “Daarop wierp ik mij voor de HERE neder, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten - brood at ik niet en water dronk ik niet -vanwege heel uw zondig bedrijf ..., waarmede de HERE tegen u toornig geworden was, zodat Hij u wilde verdelgen” ( Deuteronomium 9:18-19). En hoewel God niet het hele volk uitroeide, stierven er op die dag wel drieduizend man (Exodus 32: 28). Dus iedere heidense natie, groep of volk - Afrikaans, Aziatisch, geleerd of heel gewoon - die meent dat zij iets kunnen vereren uit naam van hun cultuur of hun voorouders, danwel de moderne mens, die de Schepper verlaat en de schepping (natuur) aanbidt, moet weten dat hem het vreselijke oordeel van God boven het hoofd hangt, hoe lang dit ook mag lijken uit te blijven.

“Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen” (Prediker 8:11).

“Dit hebt gij gedaan en Ik heb gezwegen; gij beeldt u in, dat Ik geheel en al ben als gij. Ik wil u berispen ... Verstaat dit toch, gij, die God vergeet, opdat Ik niet verscheure, zonder dat iemand redt” (Psalm 50:21-22).

“Voorwaar, de boze blijft niet ongestraft, maar het geslacht der rechtvaardigen wordt bevrijd” (Spreuken 11:21).

Voor geval er hierover nog enige onduidelijkheid zou zijn, God vertelde de kinderen van IsraŽl, hoe Hij de volken aan de overzijde van de Jordaan zou vernietigen. Maar Mozes zegt daarbij nadrukkelijk:

“Niet wegens uw gerechtigheid noch wegens de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land in bezit nemen, maar wegens hun goddeloosheid drijft de HERE, uw God, deze volken voor u weg en om het woord gestand te doen, dat de HERE uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft” ( Deuteronomium 9:5).

Paulus schrijft:

“Als God vůůr ons is, wie zal tegen ons zijn?” (Romeinen 8:31).

Allah zegt echter: “bewapen je en val de joden aan” en dat klinkt precies als de woorden van de koningen van de Amorieten, van Adonizedek, de koning van Jeruzalem ( Jozua 10:1) en van alle anderen die tegen de joden opstonden. “Roei de joden uit”, is vanaf Oudtestamentische tijd tot nu toe steeds de roep van de heidenen geweest. Dat was de roep van Haman in Esther 3:8-9; het was de roep van Adolf Hitler, toen meer dan zes miljoen joden werden vermoord en verbrand, omdat hij niet wilde dat zij nog zouden bestaan. Maar dank God voor het feit, dat het zaad van Abraham nooit van deze aardbodem zal verdwijnen, wat voor vijandelijkheden de tegenstanders van hun God ook in het hoofd hebben! De vraag blijft: Wie is deze Allah die zo vertoornd is op Gods volk? Wie is deze Allah, wiens echo Hitler was?

De joden waren geen afgodendienaars. Zij hielden zich stipt aan de Wet die God hen door Mozes gegeven had. (Zij deden soms zelfs meer dan de Wet eiste en legden zichzelf daarmee extra lasten op!) Wanneer we verstrikt raken in de verering van een afgod, dan heeft God Zijn methodes om ons te straffen, om het gezonde verstand bij ons te doen terugkeren. De joden zijn de mensen, die als volk het meest hebben geleden, beginnend met hun 430 jaar durende slavernij in Egypte tot aan vandaag de dag toe. Toch heeft het de Heer behaagd dat de Verlosser van de wereld uit hen zou voortkomen. Dat is de beslissing van de Heer geweest en niemand kan daar iets tegen uitrichten, “want het heil is uit de joden” (Johannes 4:22).


Dit is hoofdstuk 3 uit het boek: Wie is deze Allah?