Door: Jay Smith, Alex Chowdhry, Toby Jepson, James Schaeffer

In het rechtsgeding heeft de eerste spreker gelijk, maar dan komt de ander en rekent hem na.” (Spreuken 18:17)

De tegenstrijdigheden-beschuldiging

Moslims spreken vaak over de vele tegenstrijdigheden in de bijbel. Het aantal tegenstrijdigheden varieert afhankelijk van met wie je aan het spreken bent. Kairanvi’s Ishar-ul-Haq presenteert 119 getelde tegenstrijdigheden, terwijl anderen zoals Shabbir Ally 101 tegenstrijdigheden schijnen te hebben gevonden. Het probleem zoals zij het zien betreft een hypothese dat ieder religieus boek dat beweert absolute goddelijke autoriteit te hebben, niet enige tegenstrijdigheden mag bevatten, omdat een boodschap die afkomt van een Alwetend wezen intern consistent moet zijn.

De moslims citeren uit de koran (4:82) die zegt: “Denken zij dan niet na over de Koran? Was deze van iemand anders dan van Allah dan hadden zij zeker menige tegenstrijdigheid daarin ontdekt.”

Een definitie van openbaring:

Om antwoord te geven op deze uitdaging, is het belangrijk dat we beginnen met het duidelijk herkennen en te begrijpen van de vooronderstelling en gedachten die aan een dergelijke uitdaging vooraf gaan. Het principe van niet-tegenstrijdigheden is verheven tot de status van een absoluut criterium, dat mensen in staat stelt om Gods woord te beoordelen. Dit is geen stelling waarmee christenen kunnen of moeten instemmen. De christen zal blij toegeven dat de Schrift zichzelf ten slotte niet tegenspreekt. Echter, christenen kunnen niet onderschrijven dat het principe van geen-tegenstrijdigheden aan de mensen gegeven is als een criterium waarmee zij Gods woord moeten beoordelen. Het is dit criterium dat moslims de discussie over openbaring hebben opgelegd.

Dit is een fout waar velen van ons in vallen; het meten van datgene dat onbekend voor ons is met een standaard die bekender is; in dit geval het meten van de bijbel met de standaard die zij van de koran hebben geleend. Hun boek, de koran, wordt geloofd ‘naar beneden gezonden’ te zijn (Nazil of Tanzil), uit de hemel onaangeraakt door handen van mensen. Het is dit geloof in de neerdaling van de Schrift, dat zij vervolgens ook de bijbel opleggen. Echter, het is niet juist van moslims om aan te nemen dat de bijbel met dezelfde criteria die voor de koran gebruikt worden, gemeten kan worden.

De bijbel is niet slechts uit één boek samengesteld door één man, zoals de moslims over hun koran beweren, maar een verzameling van 66 boeken, geschreven door meer dan 40 auteurs, over een periode van 1500 jaar! Vanwege die reden hebben christenen altijd vastgehouden dat de gehele bijbel de stempel van mensenhanden laat zien. Bewijs hiervan kan worden gevonden in de variëteit aan gebruikte talen en schrijfstijlen. De verschillen in intellect en temperament van de auteurs. Als ook de beschrijvingen van wetenschappelijke concepten door de auteurs zonder welke de Schrift niet door mensen van die tijd begrepen zou worden. Dat betekent echter niet dat de bijbel niet gezaghebbend is, want elk van de schrijvers ontving door inspiratie zijn openbaring.

Een definitie van inspiratie:

In 2 Timoteüs 3:16 worden we verteld dat de gehele Schrift geïnspireerd is. Het woord gebruikt voor inspiratie is theopneustos, wat betekent: “God-beademd”. Dit houdt in dat alles wat geschreven werd, zijn oorsprong in God zelf had. In 2 Petrus 1:21 lezen we dat de schrijvers door God “gedragen” werden. Dus, God gebruikte iedere schrijver, inclusief zijn persoonlijkheid, om een goddelijk gezaghebbend werk te maken, want God kan geen fouten inspireren.

De bijbel spreekt vele malen over zijn inspiratie. In Lucas 24:27,44; Johannes 5:39; en Hebreeën 10:7, zegt Jezus dat wat over hem geschreven was in het oude testament zou gaan gebeuren. Romeinen 3:2 en Hebreeën 5:12 verwijzen naar het oude testament als het woord van God. We lezen in 1 Korintiërs 2:13: “Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de Geest het ons leert” Dit wordt bekrachtigd in 2 Timoteüs 3:16 zoals we hierboven zagen. In 1 Tessalonicenzen 2:13 zegt Paulus, die verwijst naar datgene wat hij had geschreven: “ ...niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God ...” Petrus spreekt van de inspiratie van Paulus’ geschriften in 2 Petrus 3:15-16, waar hij vasthoudt dat: “Dat heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de wijsheid die hem is geschonken. Hij schrijft dit overigens in alle brieven...” Eerder, in 2 Petrus 1:21 schrijft Petrus: “want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de heilige Geest. ” En dan ten slotte in Openbaring 22:18-19 spreekt de schrijver Johannes, verwijzend naar het boek Openbaringen: “...als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom.”

Charles Wesley vat deze verheven kijk op inspiratie briljant samen als hij zegt: “De bijbel moet een uitvinding zijn van goede mensen of engelen, slechte mensen of duivels, of van God. Echter, de bijbel kan niet door goede mensen geschreven zijn, omdat goede mensen geen leugens zouden vertellen door te zeggen “Aldus zei de Heer”; de bijbel kan niet door slechte mensen geschreven zijn, omdat zij niet over het doen van goede werken en zouden schrijven tegelijkertijd zonde afkeuren en zichzelf naar de hel veroordelen; dus, moet de bijbel door goddelijke inspiratie geschreven zijn ” (McDowell 1990:178).

Hoe inspireert God de schrijvers? Beweegt hij eenvoudig de schrijvers door hun harten uit te dagen om nieuwe hoogtes te bereiken, zoals we dat vinden in de werken van Shakespeare, Milton, Homer en Dicken, die alle literaire menselijke meesterwerken zijn? Of bevat dat wat hij inspireert de woorden van God naast de mythes, fouten en legendes, dus creërend een boek waarin gedeelten van het Woord van God gevonden kunnen worden, naast gedeelten van sterfelijke en feilbare mensen? Of zijn de schriften het onfeilbare Woord van God in hun geheel? Met andere woorden, hoe - zullen moslims vragen - is deze inspiratie uitgevoerd? Dicteert God mechanisch zoals dat over de koran beweerd wordt, of gebruikt hij de gedachten en ervaringen van de schrijvers?

Het simpele antwoord is dat Gods altijd controle hield bij het schrijven, zodat de bijbel niets meer is dan “De woorden van God in de woorden van mensen” (McDowell 1990:176). Dit betekent dat God de cultuur en conventies van de omstandigheden van schrijver gebruikt, een omgeving die God in zijn soevereine voorzienigheid beheert. Dus geschiedenis moet behandeld worden als geschiedenis, poëzie als poëzie, hyperbool en metafoor als hyperbool en metafoor, generalisatie en detaillering als wat zij zijn, en zo voort. Verschillen tussen literaire conventies in bijbeltijden en de onze moeten ook gerespecteerd worden: omdat, bijvoorbeeld, niet-chronologische vertelling en onnauwkeurige aanhaling in die dagen voor mensen aanvaardbaar waren en geen verwachtingen aantastten. En we moeten dit niet zien als fouten wanneer ze gebruikt worden door de bijbelschrijvers. Wanneer totale nauwkeurigheid van een bijzonder soort niet verwacht werd noch bedoeld werd, is het geen fout om het niet te bereiken. De Schrift is zonder fouten, niet in de zin dat het absoluut precies volgens moderne standaarden is, maar in de zin van het nakomen van de beweringen die erin staan en het vastleggen van die bedoelde waarheid waar de auteurs zich op richtten.

De betrouwbaarheid van de Schrift wordt niet ontkend door de verschijning van onregelmatigheden van spelling, fenomenale beschrijvingen van natuur, verslagen van onjuiste uitspraken (bijvoorbeeld, de leugens van satan), of schijnbare discrepanties tussen passages. Het is niet juist om de ‘fenomena’ van de Schrift tegen het onderwijs van de Schrift over zichzelf te zetten. Ogenschijnlijke inconsistenties zullen niet genegeerd moeten worden. Oplossingen hiervoor, waar deze overtuigend gevonden kunnen worden (zoals we hebben geprobeerd in dit artikel), zal ons geloof versterken. Echter, voor die inconsistenties waar nu geen overtuigende oplossing voorhanden is, zullen we zeker God eren door te vertrouwen op zijn verzekering dat zijn Woord waar is. Ondanks deze verschijningen, en door ons vertrouwen te handhaven dat ze op een dag als illusies zullen worden gezien.

Dit is geen blinde hoop. Bijvoorbeeld, een eeuw geleden waren er ongeveer 100 delen van het lichaam waarvan de functies voor doktoren mysterieus waren, en mensen zouden zeggen: “Dit is een bewijs van evolutie aangezien deze overgebleven delen zijn die we niet meer nodig hebben”. Echter, vanwege doorgaand en ijverig onderzoek hebben we nu slecht één orgaan in het lichaam dat overbodig lijkt. In de toekomst zullen we waarschijnlijk het nut van dat orgaan ook kunnen vinden. Dit principe kan ook toegepast worden op de bijbel. Dus veel ‘tegenstrijdigheden’ zijn ook opgelost dankzij meer onderzoek en kennis. Zou Shabbir een eeuw of zelfs 25 jaar eerder actief zijn, dan kon zijn lijst gemakkelijk 1001 tegenstrijdigheden bevatten. Aangezien nieuwe feiten ontdekt worden, vinden we continu antwoorden op veel van de historische mysteries. Daarom hebben we iedere reden om te geloven dat, in Gods tijd, de rest ook opgelost zal worden.

We zijn volledig bewust dat de christelijke criteria voor openbaring niet acceptabel zijn voor moslims, omdat het in conflict met hun eigen lijkt. Nu, door eenvoudig de bijbel tegen de nazil of Tanzil (‘neergezonden’) concept te staven dat zij van hun koran beweren, veroordelen moslims zichzelf van dubbelhartigheid.Omdat wat zij eisen van het nieuwe testament niet eisen van voorgaande openbaringen, de Taura en Zaboer, hoewel door alle moslims naar beide verwezen wordt als gelijkelijk geïnspireerde openbaringen. Moslims geloven dat Mozes de Taura en David de Zaboer schreef. Echter, geen van hen hebben beweerd hun openbaringen te hebben ontvangen door een nazil (‘neergezonden’) transmissie. Dus waarom dit van het nieuwe testament blijven eisen, in het bijzonder omdat het document zelf geen dergelijke bewering doet?

De onderliggende reden ligt waarschijnlijk in het geloof van moslims dat de koran, omdat die de enige openbaring is die “onbelemmerd” van menselijke interventie kwam, dus de meeste ware en duidelijkste uiting van Allah’s woord is. En daarom alle voorgaande openbaringen vervangt, zelfs die openbaringen tenietdoet, want van hen wordt aangenomen dat ze door de begrenzingen van hun menselijke auteurs aangetast zijn.

Ongezegd gelaten is de glanzende ironie dat de bewering voor een nazil openbaring van de koran uit één bron alleen komt. Dat is de man aan wie de koran verondersteld wordt te zijn geopenbaard: Mohammed. Nu, er zijn geen externe getuigen uit zowel vόόr als in de tijd die het getuigenis van Mohammed kunnen bevestigen. Zelfs geen wonderen zijn voorzien om zijn beweringen substantie te geven, noch zijn er documenten zoals een koran uit de eeuw waarin hij beweerd wordt te zijn geopenbaard (zie het [Engelstalige] artikel historicity of the Qur'an versus the Bible ).

Zelfs als we de historische problemen van de vroege korans buiten beschouwing laten, is een ander probleem de talrijke moslimtradities die spreken van de vele verschillende kopieën van de korancodices die in het midden van de zevende eeuw heersten tijdens de samenstelling van de Otmaanse samenstelling van de koran. En dat de conflicterende kopieën allemaal werden vernietigd, zodat we vandaag de dag niet weten of de koran die we nu hebben gelijk is aan die die als eerste geopenbaard werd.

Wat moslims moeten begrijpen is dat christenen altijd vastgehouden hebben dat het Woord van God, de bijbel, inderdaad door mensen geschreven was, maar dat deze mensen altijd onder de directe inspiratie van de heilige Geest waren (2 Petrus 1:20-21).

Waar de koran verondersteld wordt vrij te zijn van enig menselijk element, koos God in de bijbel weloverwogen zijn Woord via individuen te openbaren die geïnspireerde profeten en apostelen waren. Dus dat zijn Woord niet alleen correct en volledig tot de mensheid gebracht zou worden, maar ook tot hun begrip en bevattingsvermogen gecommuniceerd zou worden. Dit kan de koran niet doen aangezien hij geen menselijke elementen kent, zoals algemeen wordt aangenomen.

Er zijn andere problemen met de overtuiging dat de bijbel vol van tegenstrijdigheden is. Bijvoorbeeld, hoe gaan moslims om met het gezag dat hun eigen koran aan de bijbel geeft?

De koran geeft gezag aan de bijbel:

De koran, zelf, de hoogste autoriteit voor alle moslims, geeft gezag aan de bijbel, door zijn authenticiteit aan te nemen tot tenminste de zevende tot de negende eeuw. Bekijk de volgende soera’s:

Soera al-Baqarah 2:1136 wijst erop dat er geen verschil is tussen de geschriften die de koran vooraf gingen, hij luidt: “... in hetgeen ons is geopenbaard... en Jezus... Wij maken geen onderscheid tussen hen.” Soera Al-I-Imran 3:2-3 continueert: “Allah!... Hij zond voordien de Torah en het Evangelie als leiding voor het volk” Soera Nisaa 4:136 gaat hiermee verder door de moslims aan te sporen om “gelooft... in het Boek, dat Hij voordien openbaarde.” In soera al-Maida 5:46-52 vinden we een directe oproep aan christenen om in hun geschriften te geloven: “...En Wij deden Jezus, zoon van Maria in hun voetsporen treden, vervullende, hetgeen vóór hem in de Torah was (geopenbaard), en Wij gaven hem het Evangelie. En laat de mensen van het Evangelie richten naar hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard en wie niet richten naar hetgeen Allah heeft geopenbaard, zijn de overtreders.” Opnieuw vinden we in soera al-Maidah 5:68 een overeenkomstige oproep: “O, mensen van het Boek, gij steunt op niets voordat gij de Torah en het Evangelie en hetgeen u van UW HEER is nedergezonden, onderhoudt.

Om dit idee van de autoriteit van het nieuwe en oude testament aan te moedigen vinden we in soera 10:97 dat moslims geadviseerd wordt om deze geschriften te raadplegen wanneer ze over hun eigen in twijfel zijn: “En als gij over hetgeen Wij tot u hebben nedergezonden twijfelt, vraagt dan degenen die het Boek vóór u hebben gelezen. Inderdaad, de waarheid is van uw Heer tot u gekomen” En om dit punt te benadrukken wordt het advies herhaald in soera 21:7: “En vóór u zonden Wij slechts mannen aan wie Wij een openbaring hadden gezonden - Vraagt degenen, die de Vermaning bezitten, indien gij het niet weet.”

Tenslotte, in soera Ankaboet 29:46 worden moslims gevraagd om niet de autoriteit van de geschriften van de christenen in twijfel te trekken: “En twist met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze... Wij geloven in hetgeen ons is geopenbaard en hetgeen u is geopenbaard.”

Als er iets in deze soera’s duidelijk is, is het dat de koran met nadruk de Thora en het Evangelie als authentieke en gezaghebbende openbaringen van God bekrachtigt. Dit valt samen met wat christenen evenzo geloven.

Feitelijk is er nergens een waarschuwing in de koran te vinden dat de eerdere geschriften gecorrumpeerd zijn, noch dat zij tegenstrijdig waren. Als de koran inderdaad de laatste en complete openbaring was, als het de zegel van al de eerdere openbaringen was zoals de moslims beweren, dan zou de koran zeker een waarschuwing hebben tegen dat wat in eerdere geschriften gecorrumpeerd was. Echter, nergens vinden we zelfs een hint dat de bijbel tegenstrijdig was, of dat het werkelijk gecorrumpeerd was.

Er zijn moslims, echter, die bestrijden dat volgens soera 2:140 de joden en christenen hun geschriften hebben gecorrumpeerd. Deze aya zegt (verwijzend naar de joden): “En wie is onrechtvaardiger, dan hij, die een getuigenis verbergt, die hij van Allah heeft?” Niettemin, verklaart deze aya nergens dat de joden en christenen hun geschriften hebben gecorrumpeerd. De aya noemt slechts dat bepaalde joden (“hij” in de aya) een getuigenis van Allah verborgen houden. Met andere woorden: het getuigenis is er nog (dus de reden dat de eerder genoemde soera’s moslims sterk aanmoedigen om de vroegere geschriften te respecteren), hoewel de aanhangers van dat getuigenis gekozen hebben het te verbergen. In ieder geval is deze aya een klinkende bekrachtiging van de geloofwaardigheid van die eerdere geschriften, aangezien de aya aanneemt dat een getuigenis van Allah in de joodse gemeenschap bestond.

God verandert zijn Woord niet

Verder, zowel de christelijke geschriften als de moslimse koran houden respectievelijk houdt vast aan de voorwaarde dat God zijn woord niet verandert. Hij verandert zijn openbaring niet (ondanks de wet van abrogatie die gevonden wordt in de koran). Soera Joenos 10:64 zegt: “De woorden van Allah kennen geen verandering.” Dit wordt herhaald in soera al-An’aam 6:34: “Er is niemand die de woorden van Allah kan veranderen.”, ook gevonden in soera Kaf 50:28,29.

In de bijbel hebben we eveneens, een aantal verwijzingen dat spreekt van de onveranderbaarheid van Gods woord, zoals Deuteronomium 4:1-2; Matteüs 5:17-19; 24:35; en Openbaringen 22:18-20.

Als dit het herhalende thema in zowel de bijbel als de koran is, is het hoogst onwaarschijnlijk dat we een schrift vinden met een dergelijke veelheid aan tegenstrijdigheden die moslim beweren in de bijbel gevonden te hebben.

Wat zullen we dan moeten doen met de tegenstrijdigheden die moslims beweren er te zijn in de bijbel?

Tegenstrijdigheden geanalyseerd:

Wanneer we kijken naar de tegenstrijdigheden waar moslims naar wijzen, zien we dat veel van deze fouten geheel geen fouten zijn maar of verkeerd begrip van de context of niets meer dan overschrijffouten. Het eerste kan gemakkelijk worden uitgelegd. Het laatste vergt iets meer aandacht. Het is erg duidelijk dat de boeken van het oude testament tussen de 17 e en de 5 e eeuw voor Christus op het enige perkament beschikbaar in die tijd, stukken Papyrus geschreven werden.Die stukken Papyrus braken nogal snel af en moesten dus continue overgeschreven worden. We weten nu dat veel van het oude testament gedurende 3.000 jaar en het nieuwe testament gedurende een extra 1.400 jaar in geïsoleerde gemeenschappen in verschillende landen en op verschillende continenten manueel overgeschreven werden, niettemin grofweg onveranderd bleven.

Vandaag zijn veel oudere manuscripten gevonden die gebruikt kunnen worden om die oude manuscripten te bevestigen. In werkelijkheid hebben we een enorme collectie van manuscripten beschikbaar waarmee we de tekstuele geloofwaardigheid van ons huidig document kunnen bevestigen. Aangaande de nieuwtestamentische manuscripten hebben we 5.300 Griekse manuscripten of fragmenten ervan, 10.000 Latijnse Vulgate manuscripten en tenminste 9.300 andere vroege vertalingen in ons bezit. Al met al hebben we nu meer dan 24.000 manuscriptkopieën of delen van het nieuwe testament om te gebruiken! Het is duidelijk dat dit ons veel meer materiaal geeft om iedere mogelijke bestaanbare variante verzen te schetsen. Waar er een variante lezing is, is deze geïdentificeerd en geschrapt en als voetnoten op de relevante pagina’s van de teksten genoteerd. Op geen enkele wijze betekent dit een tekortkoming in onze bijbel (zoals gevonden in de originele autografen).

Christenen geven echter gemakkelijk toe dat er ‘schrijffouten’ zijn in de kopieën van het oude en het nieuwe testament. Het vraagt teveel van wie dan ook om een uitschieter van de pen te vermijden in het overschrijven van pagina na pagina van welk boek dan ook, religieus of seculair. Niettemin zijn we zeker dat de oorspronkelijke manuscripten (beter bekend als autografen) van ieder boek van de bijbel, direct door God geïnspireerd zijn, vrij was van enig fout. Deze originelen, echter, bestaan vanwege de vroege datum nu niet meer.

De personen verantwoordelijk voor het overschrijven (schrijvers of overschrijvers) waren gevoelig voor het maken van twee type schrijffouten, welbekend en gedocumenteerd door deskundigen op het gebied van manuscriptanalyse. Eén betreft de spelling van juiste namen (in het bijzonder vreemde namen), en de ander had te maken met aantallen. Het feit dat het hoofdzakelijk dit type fouten zijn, geeft geloofwaardigheid aan het argument voor overschrijffouten. Als inderdaad de originelen tegenstrijdigheden waren, zouden we hiervan sporen moeten zien in de inhoud van de verhalen zelf. (Archer 1982:221-222)

Wat belangrijk te onthouden is, echter, is dat geen variatie in de manuscriptkopieën enig leerstelling van de bijbel veranderd heeft. Hiertoe heeft de heilige Geest een beperkende invloed uitgeoefend in het bewaken van de overbrenging van de tekst.

Omdat God nergens een foutloze overbrenging van de Schrift heeft beloofd, is het noodzakelijk te bekrachtigen dat alleen de autografische tekst van de oorspronkelijke documenten geïnspireerd waren. Vanwege die reden is het essentieel dat we doorlopende tekstkritiek handhaven als middel om iedere uitschieting van de pen te detecteren die in de loop van de tijd in de tekst gekropen is. Het oordeel van deze wetenschap, echter, is dat de Hebreeuwse en Griekse tekst verbazingwekkend goed bewaard is gebleven. Zodat we versterkt gerechtvaardigd zijn in het - met de Westminster Confessie - belijden van een bijzondere voorzienigheid van God in deze materie. En in het uitspreken dat het gezag van de Schrift op geen manier door de niet volkomen schrijffoutloze kopieën in gevaar kwam.

Op gelijke wijze, geen vertaling is of kan volmaakt zijn, en alle vertalingen zijn een extra stap van de autograaf weg. Nu het oordeel van taalwetenschap is dat op zijn minst Engeltalige [en ook Nederlandstalige] christenen tegenwoordig buitengewoon goed worden bediend met een keur aan uitstekende vertalingen. En zij hebben daarom geen reden tot twijfel aan of het ware Woord van God binnen hun bereik is of niet. In werkelijkheid, vanwege de frequente herhaling van hoofdzaken in de Schrift, als ook vanwege het constante getuigen van de heilige Geest tot en door het Woord, zal geen serieuze vertaling van de heilige Schrift in die mate zijn betekenis verliezen, dat het de lezer niet in staat stelt om “u wijs [te] kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus." (2 Timoteüs 3:15)

Met dat in het achterhoofd, gaan we kijken naar de voorbeelden door Shabbir Ally in zijn pamflet naar voren gebracht om beter te verzekeren of de schriften de beproeving van autoriteit hierboven steun gegeven kunnen weerstaan of niet?

Met het beantwoorden van de onderstaande uitdagingen is het ons duidelijk geworden, dat Shabbir een aantal fouten maakte in zijn redenering dat eenvoudig gecorrigeerd kon worden als hij eenvoudig naar de context had gekeken. Dit mag ons een idee geven waarom moslims in het algemeen zo graag naar “tegenstrijdigheden” in de bijbel kijken en ze schijnbaar vinden – veel ervan zijn erg gemakkelijk uit te leggen door de context erbij te betrekken. Wanner we kijken naar de koran valt ons de omgekeerde situatie op, want de koran heeft erg weinig context om naar te verwijzen. Er is weinig vertelling en passages wisselen andere passages af met thema’s die geen verband hebben. Een overeenkomstig thema wordt opgepakt en herhaald in een andere soera, hoewel met variaties en soms met tegenstrijdig materiaal (bijvoorbeeld de verschillende verhalen van Abraham en de afgoden, gevonden in soera’s 21:51-59 en 6:74-83; 19: 41-49). Het is dan logisch, dat moslims er niet in slagen om in hun Heilig Boek een context af te leiden door te kijken naar andere passages. Het is geen wonder dat zij daarom dit ook niet met de bijbel willen doen.

Op de tweede pagina van zijn boekje “101 klare Tegenstrijdigheden in de bijbel”, spreekt Shabbir Ally dat “Toestemming verleend! S.v.p. vermenigvuldig dit boekje en verspreid de waarheid.”

Wij, de auteurs van dit artikel, zijn blij om aan dit verzoek van mijnheer Ally te voldoen. Hoewel we niet direct al zijn woorden hebben gekopieerd, hebben we zijn veronderstelde tegenstrijdigheden in zijn boekje gereproduceerd en ze beantwoord. Daarom, met deze weerleggingen hebben we gedaan wat Shabbir vroeg, het verspreiden van de waarheid! Door de vaste fundering van de bijbel te laten zien, die de waarheid is.

Alstublieft weeg de woorden van mijnheer Ally tegen de hier gepresenteerde weerleggingen.

U zult opmerken dat een aantal van de vragen meer dan één antwoord bevat. Dit is gedaan om te laten zien dat er verschillende wegen zijn om een schijnbaar probleem in de bijbelse tekst te begrijpen.

1. Zet God David aan om zijn volk te tellen (2 Samuël 4:1) of doet satan dat (1 Kronieken 21:1)?

(Categorie: verkeerd begrepen hoe God in de geschiedenis werkt)

Dit lijkt een ogenschijnlijke discrepantie tenzij natuurlijk beide uitspraken waar zijn. Het was aan het einde van Davids regeerperiode, en David was aan het terug kijken naar zijn briljante overwinningen die de Kanaänieten, Syriërs, en Fenicische koninkrijken in een staat van vazaldom en afhankelijkheid van Israël hadden gebracht. Hij had een houding van trots en zelfbewondering voor zijn prestaties, en dacht meer in termen van wapens en troepen dan in termen van de schenkingen van God.

De Heer besloot daarom dat het tijd was dat David op zijn knieën gebracht moest worden, zodat hij weer terug op de genade van God geworpen zou worden. Dus liet hij hem verder gaan met zijn telling, teneinde te ervaren hoe veel goed het hem zou doen, aangezien het enige deze telling zou bereiken het opblazen van de nationale ego zou zijn (bekend gemaakt in Joabs waarschuwing tegen het uitvoeren van het tellen in 1 Kronieken 21:3). Zodra de telling klaar was, was God van plan om de natie te bestraffen met een desastreuze plaag die een enorm verlies aan levens zou brengen (om precies te zijn 70.000 Israëlieten volgens 2 Samuël 24:15).

Wat betreft satan? Waarom zou hij zichzelf in deze zaak betrekken (volgens 1 Kronieken 21:1) als God reeds David toestond om de dwaasheid die hij in zijn hoofd had te laten begaan? Het lijkt dat zijn redenen geheel kwaadaardig waren, wetend dat een telling de Heer zou mishagen (1 Kronieken 21:7-8), en dus zette hij David aan om het door te zetten.

Nu is dit niets nieuws, want er is een aantal andere gebeurtenissen in de bijbel waar zowel de Heer als de satan betrokken was in de ziel doorsnijdende beproevingen en verzoekingen:

  1. In het boek Job vinden we in de hoofdstukken één en twee een uitdaging aan satan van God door satan toe te laten Job rampen te bezorgen. Gods doel was om Jobs geloof te louteren, en zijn karakter te versterken door discipline via tegenspoed, waarbij satans doel puur kwaadaardig was, Job zoveel mogelijk ellende toewensend zodat hij zijn geloof in zijn God zou herroepen.
  2. Overeenkomstig is zowel God als satan betrokken in het lijden van vervolgde christenen volgens 1 Petrus 4:19 en 5:8. Gods bedoeling is om hun geloof te versterken en hen in dit leven te laten delen in het lijden van Christus. Dat zij zich met hem mogen verheugen in de heerlijkheden van de te komen hemel (1 Petrus 4:13-14). Dat in tegenstelling tot satan. satans doel is hen te ‘verslinden’ (2 Petrus 5:8), of liever nog hen in zelfspijt en bitterheid naar beneden naar zijn niveau te trekken.
  3. Zowel God als satan stond Jezus de drie verleidingen toe tijdens zijn bediening op aarde. Gods doel van deze verleidingen was om volledig te triomferen over de grote verleiding die de eerste Adam tot zijn val lokte, waar satans doel was om de redder van zijn Messiaanse missie af te doen buigen.
  4. In het geval van Petrus’ drie ontkenningen in het hof van de hogepriester, was het Jezus zelf die de bedoelingen van beide betrokken partijen duidde, toen hij in Lucas 22:31-32 sprak: 31 Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. 32 Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.
  5. En tenslotte, de kruisiging zelf geeft nog een voorbeeld waar zowel God als satan betrokken is. satan laat zijn bedoeling zien toen hij het hart van Judas vulde met bedrog en haat (Johannes 13:27) en hem daarmee aanzette om Jezus te verraden. De reden van de Heer voor de kruisiging was daarentegen dat Jezus, het geslachte Lam zijn leven als losgeld voor velen zou geven, zodat zondige mensen opnieuw de relatie die in het allereerste begin in de hof van Eden kapot was gegaan, konden genieten die nu eeuwig is.

Dus we hebben vijf andere voorbeelden waar zowel de Heer als satan betrokken was doch met geheel verschillende motieven. Satans motief in al deze voorbeelden, inclusief de telling door David, was gedreven door kwaadaardige opzet, terwijl de Heer in al deze gevallen een geheel verschillend motief liet zien. Zijn motief was een welwillend motief met een uitzicht op uiteindelijke overwinning, terwijl hij gelijktijdig de bruikbaarheid van de beproefde persoon vergroot. In ieder geval was satans succes begrensd en tijdelijk; terwijl uiteindelijk Gods doel goed gediend werd en zijn zaak werd substantieel verder geholpen. (Archer 1982:186-188)

2. 2 Samuël 24:9 geeft voor de totale populatie van Israël 800.000, waar 1 Kronieken 21:5 zegt dat het 1.100.000 was.

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen of de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Er is een aantal manieren om niet alleen dit probleem te begrijpen maar ook de volgende uitdaging, omdat zij beide verwijzen naar dezelfde passages en naar dezelfde telling.

Het is mogelijk dat de verschillen tussen de twee verslagen verband houden met de inofficiële en onvolledige natuur van de telling (wat later besproken zal worden), of dat het boek Samuël afgeronde getallen presenteert, in het bijzonder voor Juda.

Het waarschijnlijker antwoord, echter, is dat één telling categorieën van mensen bevat die de ander uitsluit. Het is goed voor te stellen dat het 1 Kronieken 21:5 getal alle beschikbare mannen van gevechtsklare leeftijd insluit, wel of niet ooit betrokken zijn geweest in een gevecht , waar het 2 Samuël 24:9-verslag alleen spreekt over zij die klaar voor de strijd zijn. Joabs verslag in 2 Samuël 24 gebruikt het woord ‘is hayil’, dat vertaald wordt als “machtige mannen” of gevechtsgeharde troepen, en verwijst naar hen,  in totaal 800.000 man. Het is aannemelijk dat er een additionele 300.000 mannen waren van militaire leeftijd die als reserves gehouden werden, maar nog niet in veldslagen betrokken waren. De twee groepen zouden daarom de 1.100.000 mannen uit het 1 Kronieken 21-verslag opmaken dat niet de Hebreeuwse term ‘is hayil’ gebruikt om hen te beschrijven. (Archer 1982:188-189 en Light of Life II 1992:189-190)

3. 2 Samuël 24:9 geeft het ronde getal van 500.000 gevechtsklare mannen in Juda, dat was 30.000 meer dan het aantal 1 Kronieken 21:5.

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

Merk op dat 1 Kronieken 21:6 duidelijk uitspreekt dat Joab niet de telling voltooide aangezien hij niet de telling van de stam Benjamin had meegenomen, noch die van Levi, vanwege het feit dat David onder de veroordeling kwam voor het uitvoeren van de telling. Dus de verschillende aantallen geven de in- of uitsluiting aan van bijzonder ongespecificeerde groepen in de natie. We vinden nog een andere referentie hiernaar in 1 Kronieken 27:23-24, waar het vers verklaart dat David niet de twintig jarigen en jongeren insloot, en dat omdat Joab de telling niet afmaakte, het aantal niet in koning Davids Kronieken werd opgeschreven.

De procedure voor het leiden van de telling moest beginnen met de Overjordaanse stammen (2 Samuël 24:5) en verandert dan naar de meest noordelijke stam van Dan en zuidwaarts richting Jeruzalem (vers 7). Het tellen van Benjamin, daarom, zou als laatste gebeuren. Daarom zou Benjamin niet worden ingesloten in het totaal voor Israël of die voor Juda. In het geval van 2 Samuël 24, bevat het getal voor Juda reeds het bekende aantal van 30.000 troepen verzameld door Benjamin. Dus het totaal van 500.000 is inclusief het contingent Benjaminieten.

Merk op dat na het scheiden van het Verenigd Koninkrijk in het noorden en het zuiden, dat volgde op de dood van Salomo in 930 voor Christus, veel van de Benjaminieten loyaal bleven aan de dynastie van David en (samen met Simeon naar het zuiden) het koninkrijk van Juda vormden. Daarom was het redelijk om Benjamin mee te nemen met Juda en Simeon in het subtotaal aantal van 500.000, zelfs hoewel Joab het niet meenam in het eerste verslag dat hij aan David gaf (1 Kronieken 21:5). Daarom was het totale aantal gevechtskrachten tot Davids beschikking voor militaire dienst 1.600.000 (1.100.00 uit Israël, 470.000 uit Juda-Simeon, en 30.00 uit Benjamin). (Archer 1982:188-189 en Light of Life II 1992:189)

4. 2 Samuël 24:13 noemt dat er zeven jaren hongersnood zullen komen waar 1 Kronieken 21:12 er slechts drie noemt.

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen, de bewoording verkeerd begrepen)

Er zijn twee manieren om hiernaar te kijken. De eerste is om aan te nemen dat de auteur van 1 Kronieken de drie-jaren periode benadrukte waarin de hongersnood het intens was, waar de auteur van 2 Samuël de twee jaren voor en na deze periode insluit gedurende respectievelijk de hongersnood ontstond en afnam.

Een andere oplossing kan worden gevonden door het gebruik van de woorden in iedere passage te bekijken. Wanner je de twee passages vergelijkt zul je opmerken dat de bewoording significant verschilt in 1 Kronieken 21 van die in 2 Samuël 24 gevonden wordt. In 2 Samuël 24:13 is de vraag “Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk” In 1 Kronieken 21:12 vinden we een alternatief gebod: “Drie jaar hongersnood...” Hiervan mogen we redelijkerwijs concluderen dat 2 Samuël de eerste benadering van de profeet Gad aan David beschrijft, waarin het alternatieve vooruitzicht zeven jaar was; waar het Kronieken verslag ons de tweede en laatste komst van Nathan aan de koning geeft, waarin de Heer (ongetwijfeld als antwoord op Davids oprechte dringend verzoek in privé-gebed) de ernst van dat grimmige alternatief verminderde tot drie jaar in plaats van een gehele periode van zeven jaren. Zoals bleek koos David echter voor Gods derde keus, en daarmee drie dagen van ernstige pest ontving, resulterend in de dood van 70.000 mannen in Israël. (Archer 1982:189-190 en Light of Life II 1992:190)

5. Was Ahazia 22 (2 Koningen 8:26) of 42 (2 Kronieken 22:2) toen hij begon te regeren over Jeruzalem?

(Categorie: overschrijffout)

Omdat we hier verslagen behandelen die duizenden jaren geleden geschreven zijn, wordt van ons niet verwacht dat we de originelen vandaag de dag in ons bezit hebben aangezien zij lang geleden uiteengevallen zijn. We zijn daarom afhankelijk van kopieën genomen van kopieën van die originelen, die op hun beurt continu overgeschreven zijn over een periode van eeuwen. De personen die het overschrijven deden waren gevoelig voor het maken van twee type schrijffouten. Eén betrof de spelling van juiste namen, en de ander had te maken met getallen.

De twee voorbeelden van numerieke discrepantie hier hebben te maken met een decade in het gegeven getal. Ahazia wordt gezegd 22 jaar te zijn in 2 Koningen 8:26; terwijl in 2 Kronieken 22:2 Ahazia 42 is. Gelukkig is er genoeg additionele informatie in de bijbelse tekst om te laten zien dat het juiste getal 22 is. Eerder in 2 Koningen 8:17 noemt de auteur dat Ahazia’s vader Joram ben Ahab 32 jaar wat toen hij koning werd, en dat hij acht jaar later stierf, op de leeftijd van 40. Daarom kon Ahazia niet 42 jaar zijn op het moment van zijn vaders dood op 40 jarige leeftijd! Zulke schrijffouten veranderen allerminst joodse of christelijke overtuigingen. In een dergelijk geval, corrigeert een ander gedeelte van de Schrift vaak de fout (2 Koningen 8:26 in dit geval). We moeten ook onthouden dat de schrijvers die verantwoordelijk waren voor de kopieën uitermate eerlijk waren in het omgaan met bijbelse teksten. Zij leverden ze af zoals zij ze ontvingen, zonder ook maar de evidente doch weinige fouten te veranderen.

(Zie de volgende vraag voor een meer diepte presentatie over hoe schrijvers getallen binnen manuscripten verkeerd konden construeren) (Archer 1982:206 en Light of Life II 1992:201)

6. Was Jechonja 18 jaar oud (2 Koningen 24:8) of 8 jaar oud (2 Kronieken 36:9) toen hij koning werd van Jeruzalem?

(Categorie: overschrijverfout)

Opnieuw is er genoeg informatie in de context van deze twee passages om ons te vertellen dat 8 jaar verkeerd en 18 jaar juist is. De leeftijd van 8 jaar is ongebruikelijk jong om regeringsleiderschap te nemen. Echter, er zijn bepaalde commentatoren die betwisten dat dit geheel mogelijk kan zijn. Zij houden vast dat toen Jechonja acht jaar oud was, zijn vader hem een co-regent maakte, zodat hij getraind kon worden in de verantwoordelijkheden van het leiden van een koninkrijk. Jechonja werd vervolgens officieel koning op de leeftijd van achttien bij zijn vaders dood.

Een meer waarschijnlijk scenario, echter, is dat dit is nu een ander geval van een schrijffout is, gewoonlijk bewezen met getallen. Handig hier op te merken is dat er drie bekende manieren waren om getallen in het Hebreeuws te schrijven. De vroegste, een serie van noteringen gebruikt door de joodse kolonisten in de vijfde eeuw voor Christus Elephantine Papyri (hierbeneden in meer detail beschreven) werd gevolgd door een systeem waarbij alfabetische letters voor getallen werden gebruikt. Een gevorderd systeem werd geïntroduceerd waarbij het uitspellen van getallen door het gilde van so-perim werd voorgeschreven. Gelukkig hebben we een groot archief aan documenten in papyrus van deze drie bronnen waarnaar we kunnen verwijzen.

Zoals met veel van deze numerieke discrepanties, zijn het de decade-aantallen die variëren. Het is leerzaam om te weten dat de getalnotaties Elephantine Papyri die door de joodse kolonisten in de vijfde eeuw voor Christus gebruikt werden, gedurende de tijd van Ezra en Nehemia, waar deze passage afkomstig van is, de vroegere vorm van numerieke notatie bewijzen. Dit bestond uit een horizontale strook eindigend in naar beneden gerichte hoek aan het rechtereinde om de tientallen te representeren (dus twee horizontale strepen één boven de ander zou 20 zijn). Verticale strepen werden gebruikt om alles minder dan tien te representeren. Dus acht zou zijn /III IIII, maar achttien zou zijn / III IIII met de toevoeging van een horizontale lijn en naar beneden gerichte haak erboven. Overeenkomstig zou 22 /I zijn gevolgd door twee horizontale haken en tweeënveertig zou /I zijn gevolgd door twee reeksen van horizontale haken (vergeef alstublieft de tekortkomingen van mijn computer, het is niet zo van de geleerde Dr. Archer).

Als, dan, het primaire manuscript waarvan een kopie werd uitgevoerd vervaagd of bevlekt was, één van de meer tiental notaties kon gemist worden door de overschrijver. Het is ver minder waarschijnlijk dat de overschrijver foutief een extra streek zou hebben gezien die niet aanwezig was in zijn origineel dan dat hij er niet in geslaagd was te zien dat één was bevlekt.

In de New International Version (NIV) van de bijbel, zijn de correcties opgenomen in de teksten. Echter, voor de helderheid, noemen de voetnoten dat vroegere Hebreeuwse MSS de schrijffout bevatten, terwijl de Septuagint MSS en Syrische als ook de Hebreeuwse MSS de correcte getallen bevatten. Het heeft alleen zin om de getallen te corrigeren op het moment dat de schrijffout opgeschreven is. Dit, echter, weerspreekt op geen wijze de authenticiteit noch de autoriteit van de schriften die we hebben.

Bevestiging van dit type van overschrijffout wordt ook gevonden bij verschillende heidense schrijvers. Bijvoorbeeld in de Behistun rots inscriptie gedaan door Darius 1, vinden we dat getal 38 het aantal geeft van de gesneuvelden van Frada als 55.243, met 6.572 gevangene, volgens de Babylonische kolom. Kopieën van deze inscriptie die in Babylon zelf gevonden zijn, beschrijven het aantal gevangenen als 6.973. Echter in de Aramese vertaling van deze inscriptie ontdekt bij Elephantine in Egypte was het aantal gevangenen slechts 6.972.

Op gelijke wijze in het getal 31 van dezelfde inscriptie, geeft de Babylonische kolom 2.045 als het aantal gesneuvelden in het rebellerende leger van Frawartisch, naast 1.558 gevangen, waar de Aramese kopie meer dan 1.575 gevangenen telt. (Archer 1982:206-207, 214-215, 222, 230; Nehls pg.17-18; Light of Life II 1992:204-205)

7. Regeerde koning Jechonja drie maande over Jeruzalem (2 Koningen 24:8) of drie maanden en tien dagen (2 Kronieken 36:9)?

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Hier opnieuw, zoals we vinden in uitdaging nummer 2 en 4, was de auteur van de Kronieken specifieker met zijn getallen dan de auteur van Koningen. De laatste rondt eenvoudig het aantal maanden af door aan te nemen dat die extra tien dagen niet significant genoeg waren om te noemen.

8. Hief de overste van de machtige mannen van David zijn speer op en doodde 800 mannen (2 Samuël 23:8) of slechts 300 mannen (1 Kronieken 11:11)?

(Categorie: de historische context of de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Het is goed mogelijk dat beide auteurs twee verschillende incidenten van dezelfde man beschreven, of één auteur noemde alleen een gedeelte van wat de andere auteur volledig noemde. (Light of Life II 1992:187)

9. Bracht David de Ark van het Verbond naar Jeruzalem na het verslaan van de Filistijnen (2 Samuël 5 en 6) of ervoor (1 Kronieken hoofdstukken 13 en 14)?

(Categorie: de gehele tekst niet geheel gelezen)

Dit is niet werkelijk een probleem. Shabbir Ally zou tot 1 Kronieken 15door moeten lezen, en dat hij zou zien dat David de Ark naar Jeruzalem bracht na het verslaan van de Filistijnen. De reden hiervoor is dat de Israëlieten de Ark van het verbond twee keer verplaatsten. De eerste keer, verplaatsten zij hem vanuit Baäla, voor het verslaan van de Filistijnen, zoals we zien in 2 Samuël 5 en 6 en in 1 Kronieken 15. Op het moment dat de profeet Samuël over Davids overwinning op de Filistijnen vertelt, vertelt hij ons over beide keren dat de Ark verplaatst werd. Echter, in 1 Kronieken is de opdracht als volgt: David verplaatst eerst de Ark vanuit Baäla; vervolgens verslaat hij de Filistijnen; en tenslotte verplaatst hij de Ark uit het Huis van Obed-Edom.

Daarom zijn de twee verslagen geheel niet tegenstrijdig. Wat we hier hebben is eenvoudig een profeet die kiest om ons de gehele geschiedenis van de Ark tegelijkertijd te geven (in plaats van om er later naar te verwijzen) en een andere profeet die de geschiedenis op een verschillende manier presenteert. In beide gevallen is de timing van de gebeurtenissen dezelfde.

Hetzelfde kan van de koran worden gezegd. In soera 2 worden we ingeleid in de val van Adam, dan wordt Gods genade aan de Israëlieten getoond, gevolgd door Farao’s verdrinking, gevolgd door Mozes en het gouden kalf, gevolgd door de klacht van de Israëlieten over het eten en het water, en vervolgens worden we opnieuw ingeleid in het verslag over het gouden kalf. Dit volgend, lezen we over Mozes en Jezus, dan lezen we over Mozes en het gouden kalf, en dan over Salomo en Abraham. Als men wil spreken over chronologie, wat heeft Mozes dan te doen met Jezus, of Salomo met Abraham? Chronologisch zou de soera moeten beginnen met Adams val, dan verder gaan met Kaïn en Abel, Enoch, Abraham, Lot, Isaäk, Jacob en Ezau, Jozef, de zonen van Israël en Mozes, in die volgorde. Als een dergelijk grove chronologische vermenging gevonden in deze soera van de koran kan worden, dan zou Shabbir er goed aan doen dit uit te leggen voordat hij bekritiseert wat hij een fout in de bijbel acht. (Light of Life II 1992:176)

10. Werd Noach verondersteld om twee paar van alle levende wezens te brengen (Genesis 6:19-20) of 7 paar van ‘reine’dieren (Genesis 7:2; zie ook Genesis 7:8,9)?

(Categorie: de tekst fout geciteerd)

Dit is inderdaad een ongeschikte vraag om te stellen. Het is duidelijk dat Shabbir Ally de tekst in het zesde hoofdstuk van Genesis verkeerd geciteerd heeft, wat geen ‘reine’ dieren noemt, terwijl het zevende hoofdstuk specifiek onderscheid maakt tussen reine en onreine dieren. Genesis 7:2 zegt dat Noach zeven paar van ‘reine’ dieren moest meenemen en twee paren van iedere soort ‘onrein’ dier. Waarom noemt Shabbir niet de tweede helft van dit vers dat twee paar in zijn uitdaging weergeeft? Het is duidelijk dat er geen discrepantie is tussen de twee verslagen. Het probleem is de vraag zelf.

Shabbir probeert zijn argument te motiveren door te noemen dat de verzen 8 en 9 van hoofdstuk 7 bewijzen dat alleen twee paren de ark ingingen. Echter, deze verzen zeggen niets over twee paar dieren dat de ark binnentreden. Deze zeggen eenvoudig dat het paren van reine en onreine dieren en gevogelte waren die de ark binnengingen.

De reden voor het meenemen van zeven reine soorten is helemaal duidelijk: zij werden gebruikt als offeraanbidding na de vloed (zoals dit inderdaad gebeurde volgens Genesis 8:20). Natuurlijk zouden zij daarom uitsterven als er niet meer dan twee van ieder van deze reine soorten zouden zijn. Echter in het geval van de onreine dieren en vogels, zou een enkel paar voldoende zijn, want zij zouden niet gebruikt worden als bloedoffers. (Archer 1982:81-82)

11. Nam David 1.700 van koning Zoba’s ruiters gevangen (2 Samuël 8:4) of waren het er 7.000 (1 Kronieken 18:4)?

(Categorie: overschrijffout)

Er zijn twee mogelijke oplossingen voor deze verschillende aantallen. De eerste door Keil en Delitzsh (pagina 360) is de meest overtuigende oplossing. Zij houden vast dat het woord voor strijdwagens (rekeb) onbewust door de schrijver was weggelaten in het overschrijven van 2 Samuël 8:4. En dat het tweede aantal, 7.000 (voor de parasim “ruiters”) noodzakelijkerwijs teruggebracht was tot 700 van de 7.000 die hij in zijn Vorlage zag vanwege de eenvoudige reden dat niemand 7.000 zou schrijven nadat hij 1.000 geschreven had in het beschrijven van hetzelfde aantal. De weglating van rekeb zou gebeurd zijn door een eerdere schrijver, en een reductie van 7.000 naar 700 zou dan door latere schrijvers bij daaropvolgende kopieën gedaan zijn. Echter, hoogst waarschijnlijk is het aantal in Kronieken juist en het aantal in Samuël moeten met dat aantal worden gecorrigeerd.

Een tweede oplossing begint met de veronderstelling dat het aantal naar 700 teruggebracht was omdat het verwijst naar 700 rijen die ieder 10 ruiters bevatten, wat een totaal geeft van 7.000. (Archer 1982:184: Keil & Delitzsch 1949:360; Light of Life II 1992:182)

12. Had Salomo 40.000 stallen voor zijn paarden (1 Koningen 4:26) of 4.000 stallen (2 Kronieken 9:25)?

(Categorie: overschrijffout, of verkeerd de historische context begrepen)

Er is een aantal manieren om deze verwarrende verschillen te beantwoorden. De meest geloofwaardige is analoog met wat we eerder in uitdaging 5 en 6 hierboven vonden, waar het decade cijfer weg gegumd of vervormd is vanwege constant gebruik.

Anderen geloven dat de stallen genoemd in 2 Kronieken groot waren die ieder 10 paarden huisden (dat is, een rij van tien stallen). Daarom zouden 4.000 van deze grote stallen equivalent zijn aan 40.000 kleinen.

Een andere commentator houdt vast dat het aantal stallen in 1 Koningen opgeschreven, het aantal was in het begin van Salomo’s regeerperiode, waarbij het aantal opgeschreven in 2 Kronieken het aantal stallen aan het eind van zijn regeerperiode was. We weten dat Salomo regeerde gedurende 40 jaar; en ongetwijfeld waren er veel veranderingen gedurende deze periode. Het is erg waarschijnlijk dat hij de omvang van de militaire machine die zijn vader David hem achter had gelaten reduceerde. (Light of Life II 1992:191)

13. Volgens de auteur stierf Baësa, de koning van Israël in het 26 e jaar van koning Asa’s regeerperiode (1 Koningen 15:33) of was hij nog in leven in het 36 e jaar ( 2 Kronieken 16:1)?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen, of overschrijffout)

Er zijn twee mogelijke oplossingen voor dit probleem. Om mee te beginnen, geleerden die gekeken hebben naar deze passages hebben geconcludeerd dat het 36e jaar van Asa berekend moet worden vanaf de terugtrekking van de 10 stammen van Juda en Benjamin dat een scheiding van het land bracht in Juda en in Israël. Als we het van dit perspectief bekijken, zou het 36e jaar van de verdeelde monarchie zijn in het 16e jaar van Asa. Dit wordt ondersteund door het boek Koningen van Juda en Israël, als ook eigentijdse verslagen, die deze conventie volgen. (Opmerking: voor een vollediger uitleg van deze theorie, zie Archer, pagina 225-116)

Keil en Delitzsch (pp. 366-367) prefereerden om het getal 36 te beschouwen in 2 Kronieken 16:1 en het getal 35 in 15:19 als een overschrijffout voor 16 en 15, respectievelijk. Dit probleem is overeenkomstig met de vraag 5 en 6 hierboven. In dit geval, echter, waren de geschreven getallen het Hebreeuwse alfabetische type aan het gebruiken (in plaats van het Egyptische meervoudige streeptype gebruikt in de Elephantine Papyri, waarnaar verwezen wordt in de vragen 5 en 6). Het is daarom goed mogelijk dat het aantal 16 nogal eenvoudig verward kon worden met 36. De reden hiervoor is dat tot aan de zevende eeuw voor Christus de letter yod (10) erg op de letter lamed (30) leek, behalve twee kleine streepjes verbonden aan de linkerkant van de hoofd verticale strepen. Het vereist slechts een vlek door overmatig slijtage op deze boekrol-kolom om de yod te lijken als een lamed. Het is mogelijk dat deze fout eerst in de vroegste passage, in 2 Kronieken 15:19 gebeurde (met zijn 35 verkeerd overschreven van een originele 15); vervolgens, om het consistent te maken, in 16:1 concludeerde dezelfde schrijver (of waarschijnlijk een latere) dat 16 een fout moest zijn voor 36 en het bijgevolg in zijn kopie veranderde. (Archer 1982:226: Keil & Delitzsch 1949:366-367; Light of Life II 1992:194)

14. Wees Salomo 3.600 opzichters aan (2 Kronieken 2:2) voor het werk van het bouwen van de tempel of waren het er slechts 3.300 (1 Koningen 5:16)?

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Dit is geen groot probleem. De meest waarschijnlijke oplossing is dat de auteur van 2 Kronieken de 300 mannen toevoegde die geselecteerd waren als reservisten om de plaats van opzichters over te nemen die ziek of gestorven waren, terwijl de auteur van de 1 Koningen 5:16-passage alleen de opzichters telde. Met de groep van 3.300 zielen vonden ziekte en dood zeker plaats, wat vereiste dat indien nodig reservisten opgeroepen zouden worden. (Light of Life II 1992:192)

15. Bouwde Salomo een faciliteit bevattend 2.000 bath (1 Koningen 7:26) of meer dan 3.000 bath (2 Kronieken 4:5)?

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen, of overschrijffout)

Het Hebreeuwse werkwoord dat vertaald is als “bevatten” en “houden” is verschillend van het vertaalde “ontvangen”; en de betekenis kan zijn dat de zee gewoonlijk 2.000 bath bevatte. Echter, wanneer het gevuld is tot zijn maximale capaciteit ontving het en hield het 3.000 bath. Dus de kronieker noemt eenvoudig de hoeveelheid water dat de zee een stromende bron zou maken in plaats van een stilstaande poel. Dit informeert ons dat 13.500 liter water nodig was om de zee compleet te vullen die gewoonlijk 9.000 liter bevatte.

Een andere oplossing volgt een eerder genoemd thema, dat het aantal in Hebreeuwse belettering voor 2.000 door de schrijver verward was met een overeenkomstig alfabetisch getal voor het getal 3.000

Opgemerkt dient te worden dat Shabbir (in een debat op 25 februari 1998 tegen Jay Smith in Birmingham, Verenigd Koninkrijk) deze “tegenstrijdigheid” aanhaalde en eraan toevoegde, dat als het bad een diameter van 5,1 m heeft, het waarschijnlijk geen omtrek van 15,3 m kan hebben zoals de tekst zegt. (Omdat ‘pi’ dicteert dat het een omtrek van 32,0 m of een diameter van 10,2 m moet hebben).

Shabbir gaf humoristisch commentaar: “Vind me een bad zoals dat en ik wil erin gedoopt worden!” Echter, Shabbir las de tekst niet juist of probeerde een goedkope, misplaatste grap te maken. Waarom? Omdat de tekst zegt dat het ongeveer 8 cm dik was en de rand was gevormd als een leliekelk. Daarom hangt het af vanwaar je het vanaf meet. De bovenkant of de onderkant van de rand, of de binnenkant of de buitenkant van de kuip zullen je allemaal een verschillende diameter geven, en afhankelijk van of je van de bovenkant van de rand of van een smaller punt meet, zul je een verschillende omtrek krijgen.

Met andere woorden, Shabbir mag worden gedoopt als iemand een replica wil maken! (Haley pg. 382; Light of Life II 1992:192)

16-21. Zijn de aantallen van Israëlieten bevrijd uit de Babylonische gevangenschap correct in Ezra (Ezra 2:6, 8, 12, 15, 19, 28) of in Nehemia (Nehemia 7:11, 13, 17, 20, 22, 32)?

(Opmerking: omdat 16-21 dezelfde telling behandelen, heb ik ze samen genomen)

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

In hoofdstuk 2 van Ezra en in hoofdstuk 7 van Nehemia zijn er ongeveer drieëndertig familie’s die in beide lijsten van Israëlieten verschijnen die terugkeren uit Babylon naar Judea. Van deze 33 familie’s opgenoemd in Ezra en Nehemia, zijn negentien van de familie’s identiek, terwijl veertien discrepanties vertonen in het aantal familieleden (hoewel Shabbir er slechts zes noemt). Twee van de discrepanties verschillen 1, één verschilt 4, twee 6, twee 9, een andere 11, en andere 100, een andere 201, een ander 105, een andere familie verschilt 300, en het grootste verschil is het aantal zonen van Azgad, een verschil van 1.100 tussen de verslagen van Ezra 2 en Nehemia 7.

Hoe, dan, kunnen we de 14 discrepanties verantwoorden? Het antwoord is nogal simpel. En Shabbir, als hij enig studie in de geschiedenis van deze twee verslagen zou hebben gemaakt, zou hij nooit zijn tijd verspillen in het stellen van deze vragen. Het feit dat er zowel overeenkomsten als discrepanties naast elkaar bestaan zouden hem ook op de oplossing moeten wijzen (zoals de lezer die waarschijnlijk nu vindt).

Er zijn twee belangrijke factoren om in gedachten te houden wanneer we kijken naar deze discrepanties tussen de twee lijsten. Het eerste is de waarschijnlijkheid dat de familieleden eerst hun namen ingeschreven hadden met de intentie om te vertrekken. In het bestek van voorbereiding stierven sommigen waarschijnlijk, anderen konden niet mee vanwege ziekte of andere onoverbrugbare obstakels, zo dat het aantal dat echt ging niet hetzelfde was als het aantal dat van plan was te gaan. Iedereen die een schoolreisje naar het strand heeft gepland kan begrijpen hoe typisch een dergelijk scenario werkelijk is.

Een tweede en belangrijker factor zijn de verschillende omstandigheden waarin de twee registers gemaakt werden, een belangrijk feit waar Shabbir opeens niet bewust van lijkt te zijn. Ezra’s register werd gemaakt toen men nog in Babylon (rond 450 voor Christus) was voor de terugkeer naar Jeruzalem (Ezra 2:1-2), waar Nehemia’s register opgetekend werd in Judea (rond 445 voor Christus), nadat de muren van Jeruzalem herbouwd waren (Nehemia 7:4-6). Het verstrijken van zoveel jaren tussen de twee lijsten (tussen 5-10 jaren) zou zeker een verschil geven in de aantallen van iedere familie door dood of andere redenen.

De meeste geleerden geloven dat Nehemia die mensen opschreef die werkelijk te Jeruzalem arriveerden in 537 of 536 voor Christus onder het leiderschap van Zerubbabel en Jozua (Nehemia 7:7). Ezra, aan de andere kant, gebruikt de eerdere lijsten van diegenen die in 450 -440 voor Christus hun bedoelingen in Babylon aankondigden om zich bij de karavaan van terugkerende kolonisten aan te sluiten.

De discrepanties tussen deze twee lijsten wijzen op het feit dat er nieuwe factoren waren die hun gedachten veranderden. Sommigen konden in onenigheid uiteen gevallen zijn, anderen hadden mogelijk zakelijke redenen om hun vertrek uit te stellen, waar in sommige gevallen er zeker zieken of doden waren, en in andere gevallen zouden er last-minute rekruten uit groep die eerst besloot om in Babylon te blijven, zijn geweest. Alleen groeperingen of stadsgewestgroepen arriveerden met verminderde aantallen. Alle anderen namen last-minute rekruten mee variërend van één tot 1.100.

Wanneer we kijken naar de namen vinden we dat bepaalde namen in alternatieve vormen genoemd worden. Onder de joden van die tijd (als ook degenen die in het Oosten leven) had een persoon een naam, een titel en een achternaam. Dus, de kinderen van Harif (Nehemia 7:24) zijn de kinderen van Jorah (Ezra 2:18), terwijl de kinderen van Sia (Nehemia 7:47) ook de kinderen van Siaha zijn (Ezra 2:44).

Wanneer we al deze factoren in beschouwing nemen, zullen de verschillen in de totalen van deze twee lijsten in het geheel geen verbazing veroorzaken. Hetzelfde soort willekeur en wrijving heeft iedere grote migratie in de menselijke geschiedenis gekenmerkt. (Archer 1982:229-230 en Light of Life II 1992:219-220)

22. Zowel Ezra 2:64 als Nehemia 7:66 is het erover eens dat het totaal van de gehele gemeente 42.360 was, nu wanneer de totalen worden opgeteld, telt Ezra 29.818 en Nehemia 31.089?

(Categorie: overschrijffout)

Er zijn mogelijk twee antwoorden op dit ogenschijnlijke dilemma. Het eerste is dat dit hoogst waarschijnlijk een overschrijffout is. De oorspronkelijke teksten moeten de juiste totalen hebben gehad. Maar ergens in de keten van overbrenging maakte een schrijver een fout in één van de lijsten. Door het ene totaal te veranderen zodat zij met elkaar overeen zouden zijn, zonder eerst de familieaantallen in iedere afzonderlijke lijst op te tellen. Het idee is er dat een latere schrijver bij het overschrijven van deze lijsten met opzet de totalen van de gehele gemeente opschreef die in zijn tijd in Jeruzalem er waren, die groter zouden zijn omdat het later in de tijd was.

De andere mogelijkheid wordt door de oudtestamentgeleerde R.K. Harrison aangedragen. Hij beweert dat in ieder opzicht het aantal van 42.000 metaforisch moet zijn: “...het patroon van de Exodus en overeenkomstige tradities, waar de grote aantallen gebruikt werden als symbolen van de grootheid van God, en in dit bijzondere geval de triomferende verlossing aan te geven die God bewerkstelligde voor zijn gevangen genomen volk” (Harrison 1970:1142-1143).

Zulke fouten veranderen de historiciteit van het verslag niet, omdat in zulke gevallen een ander deel van de Schrift gewoonlijk de fout corrigeert (de toegevoegde totalen in dit geval). Zoals de welbekende commentator Matthew Henry eens schreef: “Bijna geen enkel boek is gedrukt zonder fouten; nu, de auteur doet op grond hiervan geen afstand van het boek, noch worden de fouten door het drukken toegeschreven aan de auteur. De oprechte lezer verbetert ze door de context erbij te lezen of ze te vergelijken met andere delen van het werk.” (Light of Life II 1992:201, 219)

23. Begeleidden 200 zangers (Ezra 2:65) of 245 zangers (Nehemia 7:67) de gemeente?

(Categorie: overschrijffout)

Zoals in vraag nummer 7 is dit een overschrijverfout, waar een schrijver die de getallen overschreef in het Ezra-verslag eenvoudig het aantal van 245 naar 200 afrondde.

24. Was de naam van koning Abia’s moeder Michaja, dochter van Uriël van Gibea (2 Kronieken 13:2) of Maächa, dochter van Absalom (2 Kronieken 11:20 & 2 Samuël 13:27)?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid leunt op het begrip van het Hebreeuwse woord bat, equivalent met het Nederlandse woord dochter. Hoewel gewoonlijk gebruikt om een eerste generatie vrouwelijke nakomeling aan te geven, kan het ook verwijzen naar een meer verre verwantschap. Een voorbeeld hiervan is 2 Samuël 1:24, dat zegt: ‘O dochters van Israël, weent over Saul…’ Aangezien dit ongeveer 900 jaar na Israël (ook Jakob genoemd) werkelijk leefde, is het duidelijk dat dit verwijst naar de Israëlitische vrouwen, zijn verre vrouwelijk nakomelingen.

Wanneer het in dit licht wordt gezien, verdwijnt de ‘tegenstrijdigheid’. 2 Kronieken 13:2 spreekt juist uit dat Michaja een dochter van Uriël is. We kunnen aannemen dat Uriël Tamar huwde, Absaloms enige directe dochter. Samen hadden zij Michaja die vervolgens met koning Rehabeam huwde en de moeder van Abia werd. 2 Kronieken 11:20 en 1 Koningen 15:2, in het uitspreken dat Maächa een dochter van Absalom was, verbindt haar eenvoudig terug met haar meer beroemde grootvader, in plaats van haar minder bekende vader, om haar koninklijke afstamming aan te geven. Abishalom is een variant op Absalom en Michaja is een variant op Maächa. Daarom ziet de familieboom er als volgt uit:

       Absalom/ Abishalom

               |

             Tamar-----Uriël

                        |

Rehabeam-----Maächa/ Michaja

                    |

              Abia

25. Jozua en de Israëlieten namen Jeruzalem in (Jozua 10:23,40) of niet (Jozua 15:63)?

(Categorie: de tekst verkeerd gelezen)

Het korte antwoord is, niet in deze veldtocht. De gegeven verzen zijn in complete harmonie en de verwarring ontstaat alleen bij het verkeerd lezen van de betreffende passage.

In Jozua 10 is het de koning van Jeruzalem die gedood wordt: zijn stad wordt niet ingenomen (verzen 16-18 en 22-26). De vijf Amoritische koningen en hun legers verlieten hun steden en gingen Gibeon aanvallen. Jozua en de Israëlieten versloegen hen en de vijf koningen vluchten naar de grot te Makkeda, vanwaar Jozua’s soldaten hen naar Jozua brachten, die hen allen doden. Wat betreft hun legers, spreekt vers 20 uit: ‘de weinige die vertrokken waren bereikten hun versterkte steden’, dat duidelijk zegt dat de steden niet ingenomen werden. Dus het waren de koningen, niet hun steden, die genomen werden.

Jozua 10:28-42 beschrijft de rest van deze bijzondere militaire veldtocht. Het spreekt uit dat verschillende steden ingenomen en verwoest werden, deze zijn: Makkeda, Libna, Lachis, Eglon, Hebron en Debir. Al deze steden bevinden zich in het zuidwesten van Jeruzalem. De koning van Gezer en zijn leger werden verslagen in het veld bij het helpen van Lachish (v.33) en in vers 30 wordt een vergelijking gemaakt met de eerdere verovering van Jericho, maar geen van deze laatste twee steden werden toen overwonnen. De verzen 40 & 41 schetsen de grenzen van deze campagne, alles wat plaats vond ten zuiden en ten westen van Jeruzalem. Belangrijk, Gibeon, de oostgrens van deze veldtocht is nog ongeveer 16 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem.

Jeruzalem wordt, daarom, niet genoemd als overwonnen in Jozua 10. Dit komt geheel overeen met Jozua 15:63, dat uitspreekt dat Juda de Jebusieten in Jeruzalem niet kon uitdrijven.

26. Was Jacob (Matteüs 1:16) of Heli (Lucas 3:23) de vader van Jozef en echtgenoot van Maria?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Het antwoord hierop is eenvoudig maar vergt enig uitleg. De meeste hedendaagse geleerden zijn het erover eens dat Matteüs de genealogie geeft van Jozef, en Lucas die van Maria, wat betekent dat Jacob de vader van Jozef is en Heli de vader van Maria is.

Dit wordt getoond door de twee vertellingen van de maagdelijke geboorte. Matteüs 1:18-25 vertelt het verhaal alleen vanuit Jozefs perspectief, terwijl Lucas 1:26-56 het geheel vanuit Maria’s oogpunt vertelt.

Een logische vraag hierbij is waarom Jozef in beide genealogieën genoemd wordt? Het antwoord is opnieuw eenvoudig. Lucas volgt strikt de Hebreeuwse traditie door alleen de mannen te noemen. Daarom, wordt Maria, in dit geval, bij haar echtgenote’s naam aangeduid.

De redenering wordt duidelijk ondersteund door twee lijnen van bewijs. Allereerst, iedere naam in de Griekse tekst van Lucas’ genealogie, met de enige uitzondering van Jozef, gaat vooraf door een bepaald lidwoord (dat wil zeggen ‘de’ Heli, ‘de’ Mattahat). Hoewel dit niet duidelijk in Nederlandse vertalingen is, zou het ieder opvallen die de Griekse tekst leest, dat deze de geslachtslijn van Jozefs vrouw aan het volgen is, zelfs hoewel zijn naam werd gebruikt.

De tweede lijn van bewijs is de Jeruzalem Talmud, een joodse bron. Deze erkent de genealogie als die van Maria, door naar haar te verwijzen als de dochter van Heli. (Hagië 2:4). (Fruchtenbaum 1993:10-13)

27. Stamde Jezus af van Salomo (Matteüs 1:6) of van Nathan (Lucas 3:31), beiden zijn zonen van David?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Dit is direct verbonden met ‘tegenstrijdigheid’ 26. Door aangetoond te hebben dat Matteüs Jozefs genealogie en Lucas die van Maria geeft, is het duidelijk dat beiden van David afstamden: Jozef via Salomo en Maria via Nathan.

28. Was Jechonja (Matteüs 1:12) of Neri (Lucas 3:27) de vader van Seálthiël?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Opnieuw verdwijnt dit probleem wanneer begrepen wordt dat er twee verschillende genealogieën van David tot Jezus gegeven worden, die van zowel Maria als die van Jozef (zie 26). Twee verschillende genealogieën betekenen twee verschillende mannen met de naam Seálthiël, een gebruikelijke Hebreeuwse naam. Daarom, is het niet verbazingwekkend te zien dat zij beiden verschillende vaders hadden!

29. Welke zoon van  Zerubbabel was een voorouder van Jezus Christus, Abíud (Matteüs 1:13) of Resa (Lucas 3:27), en wat betreft Zerubbabel in (1 Kronieken 3:19-20)?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Zoals met 28 veroorzaken twee verschillende Seálthiëls twee verschillende Zerubbabels, dus is het geen probleem dat hun zonen twee verschillende namen hebben.

Het zal ons niet verbazen dat er een Zerubbabel zoon van Seálthiel in zowel Maria’s als Jozefs voorgeslacht was. Matteüs vertelt ons dat Jozefs vader Jacob werd genoemd. Natuurlijk beschrijft de bijbel een andere Jozef zoon van Jacob, die de een na meest machtige regeerder in Egypte werd (Genesis 37-47). We zien geen noodzaak om te beweren dat deze twee mannen één en dezelfde zijn, dus hebben we geen probleem met de twee mannen genaamd Zerubbabel zoon van Seálthiël.

De Zerubbabel genoemd in 1 Kronieken 3:19,20 kon gemakkelijk een derde zijn. Opnieuw veroorzaakt dit geen probleem: er worden in de evangeliën verscheidene Maria’s genoemd, omdat het een gewone naam was. Dat kan hier ook zo zijn. Deze Zerubbabel zou dan een neef zijn van degene die in Matteüs 1:12,13 genoemd wordt. Een vergelijking van Matteüs en 1 Kronieken geeft de volgende mogelijke stamboom:

Jechonja

    |

Seálthiël----Malchiram----Pedaja----Senassar----Jekamja----Hosama----Nedabja----...

    |                                                       |

Zerubbabel                  Zerubbabel----Simeï----...

    |                                 |

  Abíud                         7 zonen

    |   (1 Kronieken 3:19,20)

    |

  Jozef

30. Was Joram (Matteüs 1:8) of Amazia (2 Kronieken 26:1) de vader van Uzzia?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Het antwoord is van een overeenkomstige natuur als die in nummer 24. Zoals het Hebreeuwse bat (dochter) gebruikt kan worden om een meer afstandelijke nakomeling aan te duiden, kan evenzo het Hebreeuwse ben (zoon). Naar Jezus wordt in Matteüs 1:1 verwezen als de zoon van David, de zoon van Abraham. Beide genealogieën traceren Jezus’ afkomst via deze mannen, illustrerend het gebruik van ‘zoon’. Hoewel geen Hebreeuwse manuscripten van het Matteüsevangelie vandaag de dag aanwezig zijn, is het duidelijk dat hij een jood was die schreef vanuit Hebreeuws perspectief en daarom geheel thuis in het Hebreeuwse concept van zoonschap is.

Met dit in het hoofd kan eenvoudig worden aangetoond dat Amazia de directe vader van Uzzia was (ook genaamd Azaria). Joram/ Jehoram, aan de andere kant, was Uzzia’s groot-groot-grootvader en een directe afstammeling. De lijn gaat als volgt: Joram/ Jehoram – Ahazia – Joas – Amazia – Azaria/ Uzzia (2 Kronieken 21:4-26:1).

Het in elkaar schuiven van Jozefs genealogie door Matteüs is zeer acceptabel, want zijn doel is eenvoudig de geslachtslijn te laten zien. Hij becommentarieert in 1:17 dat er drie reeksen van veertien generaties waren. Dit openbaart zijn enthousiasme voor getallen en verbindt direct de aanwijzing van Jezus als de zoon van David. In de Hebreeuwse taal wordt aan iedere letter een waarde gegeven. De totale waarde van de naam David is veertien en dit is waarschijnlijk de reden waarom Matteüs alleen veertien generaties in iedere sectie beschrijft, om Jezus’ positie als de zoon van David te onderstrepen.

31. Was Josía (Matteüs 1:11) of Jojakim (1 Kronieken 3:16) de vader van Jechonja?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Deze vraag is in essentie dezelfde als vraag 30. Jojakim was Jechonja’s vader en Josia zijn grootvader. Dit is zeer acceptabel en is het gevolg van Matteüs’ esthetische in elkaar schuiven van de genealogie en is niet vanwege een fout.

32. Waren er veertien (Matteüs 1:17) of dertien (Matteüs 1:12-16) generaties vanaf de Babylonische ballingschap tot Christus?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Zoals Matteüs duidelijk uitspreekt (1:17) waren er veertien generaties. In de eerste sectie waren er veertien namen, in de tweede vijftien en in de derde veertien. Wellicht de eenvoudigste manier om het probleem op te lossen is te suggereren dat in de eerste en derde secties, de eerste en laatste persoon als een generatie ingesloten is, waar dat in de tweede niet gebeurt. In ieder geval, zoals Matteüs duidelijk zijn genealogie met goede reden in elkaar schuift, is op geen enkele wijze een fout van hem overtuigend aangetoond. Of er toevallig één of twee namen van de lijst in de originelen door een schrijffout verloren zijn geraakt, weten we niet. Wat ook de werkelijke situatie is, een eenvoudige uitleg kan zoals hierboven worden verkregen.

33. Wie was de vader van Selah; Kainan (Lucas 3:35-36) of Arpachsad (Genesis 11:12)?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Hoewel een beslissend antwoord niet mogelijk is, kan geloofwaardige uitleg worden gegeven. Het meest waarschijnlijke antwoord hierop is dat de genealogie in de Masoretische tekst van Genesis de generaties in elkaar schuift zoals Matteüs dat in zijn lijst doet. Wanneer we kijken naar de Septuagint (LXX), vinden we de naam van Kainan ingesloten als de vader van Selah, weerkaatsend wat we in Lucas vinden. Lucas, die in het Grieks schrijft, zou de Septuagint als zijn autoriteit gebruikt kunnen hebben.

Nu we naar de Septuagint verwijzen, wanneer we kijken naar Genesis 11:12 zien we dat Arpachsad 135 jaar oud was, in plaats van 35 (wat hem meer tijd geeft om Selah’s grootvader te zijn).

34. Johannes de Doper was de te komen Elia (Matteüs 11:14; 17:10-13) of niet (Johannes 1:19-21)?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

Matteüs beschrijft dat Jezus zegt dat Johannes de Doper de te komen Elia was, terwijl het Johannesverslag lijkt te beschrijven dat Johannes de Doper dit ontkent. De reden voor deze ogenschijnlijke inconsistentie is een gebrek aan contekstualisering door de lezers.

De priesters en Levieten kwamen tot Johannes de Doper en vroegen hem of hij Elia was. Nogal een grappige vraag om iemand te vragen, tenzij je de joodse Schriften kent. Want God zegt door de profeet Maleachi dat hij Elia zal sturen aan de mensen van Israël voor een bepaalde tijd. Daarom, aangezien de joden Elia verwachtten, is de vraag nogal logisch.

Johannes was ongeveer 30 jaar oud toen hem deze vraag werd gesteld. Zijn ouders waren reeds gestorven; hij was de enige zoon van Zacharia uit de stam Levi. Dus toen gevraagd werd of hij Elia was die ongeveer 878 jaar eerder naar de hemel opvoer, was het antwoord duidelijk: “Nee, ik ben niet Elia”.

Jezus getuigt ook in Matteüs 11:11, al was het indirect, dat Johannes niet Elia is, waar hij zegt dat Johannes groter is dan alle mensen die ooit geboren zijn. Mozes was groter dan Elia, maar Johannes was groter dan hen beiden.

Dus wat bedoelde Jezus toen hij over Johannes zei: “hij is de Elia die moest komen”? De engel Gabriël (Djibriel in het Arabisch) spreekt tot Zacharia over zijn Zoon, Johannes, die nog niet geboren was: “En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een wel toegerust volk te bereiden.” (Lucas 1:17)

De engel verwijst naar twee profetieën: Jesaja 40:3-5 (zie Lucas 3:4-6 om dit opnieuw op Johannes de Doper toegepast te zien) en Maleachi 3:23-246 hierboven genoemd. “23 Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de profeet Elia, 24 en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders.”. Gabriël zegt onmiskenbaar dat Johannes de “Elia” is die God voorspelde door Maleachi de profeet.

Dus, was Johannes Elia? Nee. Maar hadden de priesters en Levieten hem gevraagd: “Bent u degene over wie Maleachi spreekt als ‘Elia’?” Johannes zou bevestigend geantwoord hebben.

Jezus zegt in Matteüs 17:11-13 dat de profetie van Maleachi waar is, maar Elia was reeds gekomen. Hij zegt dat deze “Elia” leed, zoals hij, Jezus zal lijden; “Toen begrepen de leerlingen dat hij op Johannes de Doper doelde.”. Daarom, wanneer we de context begrijpen is het duidelijk; Johannes was niet de letterlijke Elia, maar hij was de Elia over wie de profetie sprak, degene die de weg moest klaarmaken voor de messias (en ook zo deed), Jezus, “Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.” (Johannes 1:29)

35. Zou Jezus Davids troon beërven (Lucas 1:32) of niet (Matteüs 1:11; 1 Kronieken 3:16 & Jeremia 36:30)?

(Categorie: het Hebreeuwse gebruik verkeerd begrepen)

Het antwoord volgt direct op vraag 26. Door te laten zien dat Matteüs’ genealogie die van Jozef is, is het duidelijk uit Jeremia 36:30 dat geen van Jozefs fysieke afstammelingen gekwalificeerd waren om op Davids troon te zitten aangezien hij zelf een afstammeling van Jechonja was. Echter, zoals Matteüs duidelijk maakt, was Jezus geen fysieke nakomeling van Jozef. Na het opsommen van Jozefs genealogie met het probleem van zijn afkomst van Jechonja, vertelt Matteüs het verhaal van de maagdelijke geboorte. Dus bewijst hij hoe Jezus het Jechonja probleem vermijdt en in staat is om op Davids troon te blijven zitten. Lucas, aan de andere kant, laat zien dat Jezus’ ware fysieke afkomst van David was afgezien van Jeconia, dus hem volledig kwalificerend om de troon van zijn vader David te beërven. De aankondiging van de engel in Lucas 1:32 maakt het plaatje compleet: ‘de Here God zal hem de troon van zijn vader David geven’. Deze goddelijke afspraak, samen met zijn fysieke afkomst, maakt hem de enige rechtmatige erfgenaam van Davids troon. (Fruchtenbaum 1993:12)

36. Jezus reed Jeruzalem binnen op een veulen (Marcus 11:7; vergelijk Lucas 19:35) of een veulen en een ezelin (Matteüs 21:7)?

(Categorie: de tekst verkeerd gelezen & de historische context verkeerd begrepen)

De beschuldiging is dat de evangeliën elkaar tegenspreken over hoeveel ezels Jezus Jeruzalem binnen reed. Deze beschuldiging is gebaseerd op het niet juist lezen van de tekst van Matteüs en het ontkennen van Matteüs punt over deze gebeurtenis.

Eerst dient opgemerkt te worden dat al de vier evangelieschrijvers naar deze gebeurtenis verwijzen, de ontbrekende verwijzing hierboven is Johannes 12:14-15. Marcus, Lucas en Johannes zijn het er allen over eens dat Jezus op het veulen zat. Logica laat zien dat er geen “tegenstrijdigheid” is omdat Jezus niet op twee dieren tegelijkertijd kan rijden! Dus, waarom noemt Matteüs twee dieren? De reden is helder.

Zelfs door te kijken naar Matteüs in afzondering, kunnen we uit de tekst zien dat Jezus niet op twee dieren reed, maar alleen op het veulen. Want in de twee verzen die voorafgaan aan het citaat, lezen we Matteüs die de twee profetieën uit het oude testament (Jesaja 62:11 en Zacharia 9:9) samen citeert. Matteüs zegt:

‘Zeg tegen Sion: “Kijk, je koning is in aantocht, hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.’ (Matteüs 21:5)

Door te zeggen “een ezel” en vervolgens “op een veulen, het veulen van een ezel” gebruikt Zacharia een klassieke Hebreeuwse zinstructuur en poëtische taal die “parallellisme” heet, door eenvoudig hetzelfde op een ander manier te herhalen. Dit is erg gewoon in de bijbel (bijvoorbeeld Psalm 119:105 noemt: “Uw woord is een lamp voor mijn voet,
een licht op mijn pad.
” de psalm zegt dus twee keer hetzelfde achter elkaar). Het is duidelijk dat er slechts één dier was waar naar verwezen wordt. Daarom zegt Matteüs duidelijk dat Jezus op een veulen reed, in overeenstemming met de andere drie evangelieschrijvers.

Dus waarom zegt Matteüs in vers 7dat het veulen en zijn moeder meegebracht werden? De reden is simpel. Matteüs, die een ooggetuige was (waar Marcus en Lucas dat waarschijnlijk niet waren) benadrukt de onvolwassenheid van het veulen, te jong om te worden gescheiden van zijn moeder. Aangezien het veulen nooit bereden was, was het waarschijnlijk nog afhankelijk van zijn moeder. De binnenkomst in Jeruzalem zou gemakkelijk verlopen als de moederezel meeliep, aangezien het veulen haar natuurlijk zou volgen, zelfs hoewel het nooit eerder iemand had vervoerd en nooit geleerd had om een weg te volgen.

Hier opnieuw zien we dat er geen tegenstrijdigheid is tussen de synoptische verslagen, maar dat het alleen detail toevoegt ten gunste van Matteüs als degene die de gebeurtenis zag plaatsvinden.

Dit is slechts één van de vele profetieën die Jezus vervulde. Hij vervulde profetieën die in zijn invloedsfeer waren als ook profetieën die hij niet kon manipuleren. Zoals de tijd en plaats van zijn geboorte (Daniël 9:24-26, Micha 5:1-2, Matteüs 2:1-6) of zijn opstanding (Psalm 16:10, Handelingen 2:24-32), om er slechts twee te noemen.

Sommige moslims geloven dat er in de Taura een verwijzing is naar de profetie waar de koran over spreekt in soera 7:157 en 61:6 inzake Mohammed. Echter, deze moslims moeten nog met een verwijzing komen.

37. Simon Peter vindt uit dat Jezus de Christus was door een openbaring uit de hemel (Matteüs 16:17) of door zijn broer Andreas (Johannes 1:41)?

(Categorie: te letterlijke interpretatie)

De nadruk van Matteüs 16:17 is dat Simon het niet alleen van iemand anders hoorde: God maakte het hem helder. Dat sluit niet uit dat anderen het hem verteld hadden. Jezus’ punt is dat hij niet eenvoudig aan het herhalen was wat iemand anders gezegd had. Hij had geleefd en gewerkt met Jezus en hij was nu overtuigd dat Jezus niemand anders dan de Christus (de messias), de Zoon van de Levende God was.

Jezus vroeg niet: “Wie hebben jullie gehoord dat ik ben?” maar, “Wie zeggen jullie dat ik ben?” Er is een wereld van verschil tussen deze twee vragen, en Petrus was niet langer in twijfel.

38. Jezus ontmoette eerst Simon Peter en Andreas bij het Meer van Galiléa (Matteüs 4:18-22) of op de oevers van de rivier de Jordaan (Johannes 1:42-43)?

(Categorie: de tekst verkeerd gelezen)

De beschuldiging is dat één evangelieverslag Jezus ontmoeting met Simon Petrus en Andreas bij het meer van Galiléa beschrijft, terwijl het andere verslag zegt dat hij hen bij de rivier de Jordaan ontmoette. Echter deze beschuldiging valt in duigen aangezien de verschillende schrijvers het verhaal op verschillende plaatsen oppikken. Beide zijn waar.

Johannes 1:35 en verder zegt dat Jezus hen bij de rivier de Jordaan ontmoette en dat zij daar tijd met hem besteedden. Andreas (en waarschijnlijk ook Petrus) waren discipelen van Johannes de Doper. Zij verlieten dit gebied en gingen naar Galiléa, de regio waar het dorp Kana is waar Jezus zijn eerst beschreven wonder verrichtte. “Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen.(Johannes 2:12)

Petrus en Andreas kwamen oorspronkelijk uit de plaats genaamd Bethsáïda (Johannes 1:44) maar woonden nu in Kafarnaüm (Matteüs 8:14-15, Marcus 1:30-31, Lucas 4:38-39), enkele mijlen van Bethsáïda. Zij waren vissers van beroep. Dus was het voor hen heel normaal om te gaan vissen toen zij thuis waren gedurende die enkele dagen (want op dat moment begon Jezus juist met zijn publieke onderricht en genezing).

Dit is waar Matteüs het verhaal oppikt. Zoals Petrus en Andreas vissen in het Meer van Galiléa, riep Jezus hen om hem te volgen – om alles achter te laten en zijn permanente discipelen te worden. Voordat dit plaats vond, vroeg hij hen niet, maar zij hadden hem gevolgd vanwege het getuigenis van Johannes de Doper over hem (Johannes 1:35-39). Nu, vanwege dit getuigenis, plus het wonder in Kana, de dingen die Jezus zei (Johannes 1:47-51), als ook de tijd die zij met de wijste en enig volmaakte man die ooit leefde besteedden, enzovoort, is het geheel begrijpelijk dat zij alles achter zich lieten en hem volgden. Het zou niet begrijpelijk voor hen zijn om zomaar hun vertrouwde leven te verlaten en een vreemdeling te volgen die verscheen en hen vroeg dat te doen, zoals de kinderen van de rattenvanger van Hamelen! Jezus betoverde niemand – zij volgden hem, omdat zij realiseerden wie hij was – degene van wie de profeten spraken, de messias de zoon van God.

39. Toen Jezus Jaïrus ontmoette, was zijn dochter ‘zojuist overleden’ (Matteüs 9:18) of was zij ‘aan het sterven’ (Marcus 5:23)?

(Categorie: te letterlijke interpretatie)

Toen Jaïrus zijn huis verliet, was zijn dochter erg ziek en op het punt van sterven, anders zou hij niet uitgegaan zijn om Jezus te zoeken. Toen hij Jezus ontmoette was hij in het geheel niet zeker of zijn dochter reeds bezweken was. Daarom zou hij beide uitspraken geuit kunnen hebben; Matteüs noemde haar dood, terwijl Marcus over haar ziekte sprak. Echter, onderstreept moet worden dat dit geen detail van enig belang voor ons is. De cruciale punten zijn helder:

Daarom is het werkelijk van geen betekenis of het meisje werkelijk gestorven was of aan het sterven was toen Jaïrus Jezus vond.

40. Jezus stond zijn discipelen een staf op hun reis toe (Marcus 6:8) of niet (Matteüs 10:9; Lucas 9:3)?

(Categorie: het Grieks gebruik verkeerd begrepen)

Er wordt verondersteld dat de evangelieschrijvers elkaar tegenspreken of Jezus zijn discipelen toestond om een staf mee te nemen op hun reis of niet. Het probleem is er een van vertaling.

In Matteüs lezen we de vertaling van het Griekse woord “ktesthe”, wat vertaald is als “Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee, ... en geen stok”. Volgens een Grieks woordenboek betekent dit woord “verkrijgen, verwerven, voorzien, door koop of anderszins” (Robinson, Lexicon of the New Testament). Daarom zei Jezus in Matteüs: “Verwerf niet iets extra op wat je reeds hebt. Ga zoals jij bent”.

Matteüs 10 en Marcus 6 zijn het erover eens dat Jezus zijn discipelen gebood om geen extra bagage mee te nemen. Lucas 9:3 is het gedeeltelijk met de bewoording van Marcus 6:8 eens, door het werkwoord in het Grieks (“nemen”) te gebruiken; maar dan, zoals Matteüs toevoegt “geen staf, geen buidel, geen brood, geen geld”. Echter, Matteüs 10:10 sluit in wat blijkbaar een verdere verheldering was: zij moesten geen staf verwerven als deel van hun speciale bagage voor de rondreis. Marcus 6:8 lijkt aan te duiden dat dit niet noodzakelijkerwijs het wegdoen van enig staf betreft, die zij reeds in hun bezit hadden en waarmee zij met Jezus in het land reisden.

Echter, dit is geen definitief antwoord, slechts een mogelijke uitleg. Dit triviale verschil heeft geen effect op de substantiële overeenstemming van de evangeliën. We zouden het niet erg vinden als dit een tegenstrijdigheid was of is, want we hebben niet dezelfde kijk op de evangeliën als een moslim over de koran wordt geleerd. En als dit het toppunt van de bijbelse tegenstrijdigheden is wanneer men zegt dat de bijbel “vol van tegenstrijdigheden” en “totaal gecorrumpeerd” is, dan zijn zulke mensen misleid. Als inderdaad de christelijke schrijvers en vertalers de oorspronkelijke evangeliën wilden wijzigen, dan zou deze “tegenstrijdigheid” er niet geweest zijn. Het is een teken van de authenticiteit van de tekst, als een menselijk verslag van wat er plaats vond, en een duidelijk teken dat de tekst niet met opzet gecorrumpeerd is.

41. Herodes dacht wel (Matteüs 14:2; Marcus 6:16) of niet (Lucas 9:9) dat Jezus Johannes de Doper was?

(Categorie: de tekst verkeerd gelezen)

Er is geen tegenstrijdigheid hier. In Lucas 9:9 vraagt Herodes wie die ongelofelijke persoon kon zijn aangezien Johannes dood was. In Matteüs 14:2 en Marcus 6:16 geeft hij zijn antwoord: na het beschouwen wie Jezus kon zijn, concludeerde hij dat hij Johannes de Doper moest zijn, opgestaan uit de dood. Op het tijdstip dat Herodes werkelijk Jezus ontmoette, bij zijn proces, kon hij niet nog hebben gedacht dat hij Johannes was (Lucas 23:8-11). Als dat het geval was, had hij hoogst waarschijnlijk meer over hem gehoord en had hij Johannes’ beweringen over het voorbereiden op degene die moest komen begrepen (Johannes 1:15-34). Hij zou wellicht gehoord hebben dat Jezus door Johannes gedoopt was, daarmee sluit dit de mogelijkheid uit dat zij dezelfde persoon waren.

42. Johannes the Doper herkende Jezus voordat hij gedoopt werd (Matteüs 3:13-14) of niet (Johannes 1:32-33)?

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Johannes’ uitspraak in Johannes 1:33 dat hij Jezus niet zou kennen behalve wanneer hij de Geest op hem zou zien neerdalen, kan betekenen dat Johannes niet zeker zou weten zonder dit definitieve teken. Johannes was vervuld met de heilige Geest van voor zijn geboorte (Lucas 1:15) en we hebben een verbazingwekkende herkenning van Jezus gezien zelfs toen Johannes in de moedersschoot was. Lucas 1:41-44 vertelt dat toen Maria Johannes’ moeder bezocht, het geluid van haar begroeting Johannes aanzette, toen nog in de schoot, om op te springen in de herkenning van Maria’s aanwezigheid, als de moeder van de Heer.

Uit deze passage kunnen we ook zien dat Johannes’ moeder kennis had over wie Jezus zou zijn. Het is erg waarschijnlijk dat zij Johannes hierover vertelde toen hij opgroeide (zelfs hoewel het lijkt dat zij stierf toen hij nog jong was).

In het licht van deze vroege kennis en het getuigenis van de heilige Geest in Johannes, is het erg waarschijnlijk dat dit teken van de heilige Geest dat op Jezus ruste op Jezus eenvoudig een zekere bevestiging was van wat hij reeds wist. God nam iedere twijfel weg zodat hij zeker kon zijn dat het niet zijn verbeelding was of iemand anders fout.

43. Johannes de Doper herkende Jezus na zijn doop (Johannes 1:32-33) of niet (Matteüs 11:2)?

(Categorie: de tekst verkeerd begrepen)

In de Johannes 1:29-36-passage is het overduidelijk dat Johannes Jezus herkende. We hoeven hier geen twijfel over te hebben.

Matteüs 11:2 vindt later plaats, en veel dingen zijn er tussentijds gebeurd. Johannes’ oorspronkelijk kennis van Jezus was beperkt en het lijkt er op dat opeenvolgende gebeurtenissen hem wat gedesillusioneerd hebben. Hij wist niet precies welke vorm Jezus’ bediening zou nemen. We worden in Matteüs 3:11, 12 iets verteld wat Johannes wist: “Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.’” Dit is de klassieke portrettering van de messias als de overwinnende koning die Gods oordeel zou brengen op al diegenen die hem verwerpen, de vrede en de gerechtigheid brengend op degenen die hem volgen. Johannes begreep dit klaarblijkelijk.

Echter, de messias werd in de schriften ook geportretteerd als een lijdende dienaar die zou lijden voor Gods volk. Dit wordt duidelijk in Jesaja getoond 53, in het bijzonder vers 12: “Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.”. Johannes begreep dit ook, zoals blijkt in zijn uitspraak in Johannes 1:29: “Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.

Wat soms niet altijd goed begrepen werd, was hoe de twee portretteringen van de messias op elkaar inwerken. Veel dachten dat de messias zijn verschrikkelijke oordelen zou brengen zodra hij kwam. In werkelijkheid zal dit gebeuren wanneer hij weer terugkeert (over zijn terugkomst wordt gezinspeeld in Handelingen 1:11, bijvoorbeeld). Sommigen waren daarom verward, door Jezus’ onwelwillendheid om te handelen als een militaire leider en de natie Israël in die tijd te verlossen van de Romeinse onderdrukking.

Deze verwarring wordt geïllustreerd door Lucas 24:13-33, waar Jezus na zijn opstanding sprak met twee van zijn volgelingen op de weg naar Emmaüs. Hun ogen waren eerst bevangen zodat zij hem niet herkenden (vers 16). Zij vertelden hem hoe zij “Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden” (vers21). Zij werden gecorrigeerd in deze hoop, maar faalden in het begrijpen van de eerste fase in Gods verzoeningsproces. Jezus corrigeerde hun misverstand in vers 25 en 26: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? 26 Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’

Het is zeer waarschijnlijk dat een overeenkomstige verkeerd begrip Johannes vraag in Matteüs 11:2 deed ontstaan. Ondanks het zo zeker zijn over Jezus’ identiteit als de messias van Israël, hadden verdere gebeurtenissen zijn zekerheid verduisterd. Na van Jezus te verwachten dat hij de Romeinen zou uitwerpen en het koninkrijk van Israël als in de dagen van koning David zou herstellen, had hij daarentegen Jezus gezien ‘prekend en lerend in de steden van Galiléa’ (Matteüs 11:1) zonder een militaire campagne. Johannes vroeg zich zeker af wat er verkeerd was gegaan: had hij rol van de messias verkeerd begrepen, of misschien had hij een grotere fout gemaakt door te denken dat Jezus de messias was. Jezus’ antwoord in Matteüs 11:4-6 maakt het duidelijk:

‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5 blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6 Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’

Deze activiteiten waren Messiaanse privileges, zoals voorspeld door Jesaja 29:18; 35:5,6; 61:1-3. Hoewel Johannes’ desillusie een natuurlijke menselijke reactie was, was hij de eerste keer juist. Jezus beëindigde zijn antwoord met een vermaning voor Johannes om niet de hoop op te geven. De messias was hier zonder twijfel en alles zou te zijner tijd geopenbaard worden.

44. Wanneer Jezus over zichzelf getuigt, is zijn getuigenis niet waar (Johannes 5:31) of is zijn getuigenis waar (Johannes 8:14)?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

Als ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar” (Johannes 5:31) vergeleken met “Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar” (Johannes 8:14). Het schijnt een tegenstrijdigheid te zijn, maar alleen als de context wordt ontkend.

In Johannes 5 spreekt Jezus over hoe hij zelf noch de messias noch de Zoon van God kan beweren te zijn, tenzij hij in overeenstemming is met Gods geopenbaarde woord. Dat is, zonder de profetieën waarover in het oude testament gesproken wordt, te vervullen. Echter, als Jezus ze vervulde en door Johannes de Doper geproclameerd werd de messias te zijn over wie de profeten ook spraken als de aankondiger van de messias (zie 34), dan was Jezus inderdaad degene die hij beweerde te zijn, de Zoon van God. Jezus zegt over de joodse geschriften, die zijn luisteraars ijverig bestudeerden: “de Schriften getuigen over mij”.

We lezen in Johannes 8 echter van een iets verschillende setting. Jezus heeft zojuist opnieuw beweerd de messias te zijn door oudtestamentische Messiaanse profetieën aan te halen en die op zichzelf toe te passen (Johannes 8:12, Jesaja 9:2, Maleachi 4:2). “De Farizeeën wierpen tegen: ‘Uw getuigenis is niet betrouwbaar, want u getuigt over uzelf.’” (Vers 13)

Het is volgens deze uitspraak dat Jezus antwoordt: “Ja het is zo”. Waarom? Omdat de Farizeeën een wet uit Deuteronomium 19:15 gebruikten die zegt:“Eén enkel getuigenis dat iemand een overtreding heeft begaan of een misdrijf of wat dan ook, is niet geldig. Een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen.”

Daarom rekten zij de wet uit om de wet meer te laten betekenen dan dat hij werkelijk zegt. In werkelijkheid was het getuigenis van één man geldig – echter niet genoeg om te veroordelen, maar genoeg als het gebruikt werd voor de verdediging om vrijspraak te bepleitten. Deze wet spreekt niet over iemand die zomaar een bewering doet over zichzelf, maar over iemand die in een gerechtshof terecht staat en van een misdaad beschuldigd wordt.

Dus toen Jezus als antwoord tegen hen zei: “al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar” spreekt hij de waarheid aangezien, waar de wet naar verwees, niet direct van toepassing was. Hij zegt ook dat hij precies wist wie hij was, waar zij dit niet wisten. Hij loog niet tegen hen, hij was de zondeloze messias van God. Daarom kon zijn woord worden vertrouwd.

Echter, het is een goed principe om niet iedereen zomaar te geloven die beweert de messias te zijn. Ieder die dat beweerd moet bewijs leveren. Daarom gaat Jezus in Johannes 8 verder met het noemen van het tweede. Dat is, dat hij deze getuigen ook heeft, de getuigen waar de Farizeeën om vroegen. “Wel, ik getuig over mezelf, en de Vader die mij gezonden heeft, getuigt over mij.” (Vers 18).Wat dezelfde afkondiging is als in Johannes 5 dat hij de profetieën die zij kenden, aan het vervullen was (kijk even voordat dit incident plaatsvond in Johannes 7:42 voor meer bewijs).

Er is geen tegenstrijdigheid, maar eenvoudige helderheid en grote diepte die gezien kunnen worden wanneer Jezus in zijn context bezien wordt, in zijn rijke joodse cultuur en setting.

45. Toen Jezus Jeruzalem binnentrad reinigde hij de tempel diezelfde dag (Matteüs 21:12) of niet die dag maar de volgende (Marcus 11:1-17)?

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

De sleutel voor het begrijpen kan gevonden worden in Matteüs’ gebruik van vertellingen. Soms ordent hij zijn materiaal in thema’s in plaats van strikte chronologische opeenvolging. Zie de volgende vraag (46) voor meer details.

Met dit in het hoofd, is het waarschijnlijk dat Matteüs de reiniging van de tempel samen met de triomfantelijke binnenkomst vertelt, zelfs hoewel de reiniging de volgende dag gebeurde. Vers 12 zegt dat ‘Jezus de tempel binnentrad’ maar zegt niet duidelijk dat het onmiddellijk op de binnenkomst in Jeruzalem volgde. Vers 17 informeert ons dat hij Jeruzalem verliet en naar Bethanië ging, waar hij de nacht doorbracht. Marcus 11:11 liet hem ook die nacht naar Bethanië gaan, maar dit deed hij iedere nacht van die week.

Matteüs 21:23 spreekt uit dat hij naar de tempel was gegaan op een overeenkomstige manier als vers 12, niettemin zegt Lucas 20:1 dat het volgende incident “Op een van de dagen” gebeurde waarmee het aangeeft dat het niet onmiddellijk na het incident met de vijgenboom was.

Volgens deze mogelijke interpretatie, ging Jezus de tempel binnen op de dag van zijn triomfantelijke intocht, keek rond en trok zich terug in Bethanië. De volgende morgen vervloekte hij de vijgenboom op de weg naar Jeruzalem (waarop het begon te verdorren) en reinigde de tempel toen hij daar was. Terugkerend naar Bethanië die avond, waarschijnlijk omdat het donker begon te worden, zou de verdorde vijgenboom niet door de discipelen opgemerkt zijn. Het was slechts de volgende morgen op klaarlichte dag dat zij zagen wat ermee gebeurd was. (Archer 1994:334.335)

46. Matteüs 21:19 zegt dat de boom die Jezus vervloekte onmiddellijk verdorde waar Marcus 11:20 vasthoudt dat hij na één nacht verdorde.

(Categorie: de auteurs bedoeling verkeerd begrepen)

Het verschil gevonden tussen de verslagen van Matteüs en Marcus over de vijgenboom hebben veel te maken met de volgorde die zowel Matteüs als Marcus in zijn materiaal gebruikte. Wanneer we de verteltechnieken van Matteüs in zijn algemeen bestuderen, vinden we (zoals was opgemerkt in 45 hierboven) dat hij soms zijn materiaal in thematische volgorde plaatst in plaats van een strikte chronologische volgorde die vaker karakteristiek is voor Marcus en Lucas.

Bijvoorbeeld, als we kijken naar hoofdstukken 5-7 van Matteüs die de Bergrede behandelen, is het nogal denkbaar dat soms delen van de preek van de Bergrede’s gevonden worden in andere settings, zoals in de zaligsprekingen in Lucas (6:20-49). Matteüs’ neiging was om zijn materiaal in thema’s te groeperen volgens een logische opeenvolging. We vinden een ander voorbeeld hiervan uiteengezet in een serie gelijkenissen over het koninkrijk van hemel in hoofdstuk 13. Wanneer een thema wordt aangesneden, prefereert Matteüs als regel om het volledig te beschrijven,

Wanneer we het vanuit dit perspectief zien, moeten we naar Marcus kijken om de chronologie van een gebeurtenis proberen vast te stellen. In het Marcusverslag vinden we dat Jezus op zowel op Palmzondag als de daaropvolgende maandag naar de tempel ging. Echter in Marcus 11:11-19 wordt duidelijk uitgesproken dat Jezus niet tot maandag de handelaren de tempel uitwierp, nadat hij de verdorde vijgenboom vervloekt had (verzen 12 tot 14).

Conclusie, Matteüs vond in zijn thematische benadering het effectiever om de maandagmiddagactie met de eerste observatie van de zondagmiddag in te sluiten, waar Marcus een strikte chronologische volgorde verkoos. Deze verschillen zijn niet tegenstrijdig, maar laten slechts een verschillende stijl in compositie van iedere auteur zien. (Archer 1982:334-335 en Light of Life III 1992:96-97)

47. In Matteüs 26:48-50 kwam Judas naar voren en kuste Jezus, waar Judas in Johannes 18:3-12 niet dicht genoeg tot Jezus kon komen om hem te kussen.

(Categorie: de tekst verkeerd geciteerd)

Dit is nogal een vreemd lijkende discrepantie van Shabbir, want nergens zegt het Johannesverslag (zoals Shabbir openlijk vasthoudt) dat Judas niet dichtbij genoeg kon komen om Jezus te kussen. Het had daarom niets van doen met of hij hem kuste of niet. Het lijkt dat Shabbir dit als een probleem voorstelt en het dus de tekst oplegt. Het feit dat Johannes de kus niet in zijn verslag noemt, betekent niet dat Judas Jezus niet kuste. Vele malen hebben we gezien dat waar één van de evangelieschrijvers een stuk informatie insluit, dat een ander het eruit laat. Dat betekent niet dat één van hen fout is. Het betekent alleen dat zij , als getuigen, een gebeurtenis door verschillende brillen zien. En dus in hun getuigenis alleen dat wat zij belangrijk vinden opschrijven. (Light of Life III 1992:107)

48. Ontkende Petrus Christus drie keer voor het kraaien van de haan (Johannes 13:38) of drie keer voor de haan twee keer kraaide (Marcus 14:30, 72)?

(Categorie: ontdekking van eerdere manuscripten)

Deze beschuldiging is dat Jezus tot Petrus zei: “nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.” (Johannes 13:38) en "juist jij zult me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen." (Marcus 14:30). Echter, wanneer de King James-vertaling de haan in Marcus vόόr Petrus derde ontkenning laat kraaien, is de voorspelling in Johannes niet juist. Het probleem is één van manuscriptbewijs.

Matteüs 26:33-35, 74-75: “nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.

Lucas 22:31-34, 60-62: “... zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.

Johannes 13:38: “... nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.

Marcus is daarom de uitzondering. Dit komt waarschijnlijk vanwege het feit dat het tweede kraaien om onbekende redenen een latere toevoeging op het oorspronkelijke evangelie is. Sommige vroegere Marcus manuscripten bevatten niet de woorden “een tweede keer” en “tweemaal” in vers 14:72. Evenmin kennen zij het woord “tweemaal” in vers 14:30 en noch laten zij in vers 14:68 de haan voor de eerste keer kraaien zoals de King James-vertaling dat laat doet. Dankzij de helderheid die ons geboden wordt door het hebben van vier verslagen van de gebeurtenis en de vele vroegere manuscripten van het evangelie naar Marcus, zien we hier een foutieve toevoeging.

Echter, een andere uitleg is geloofwaardig als het eerste kraai-vers (68 in de King James-vertaling) niet in de oorspronkelijke tekst stond en de andere verzen (“tweemaal” in 30 en 72) wel, zoals in de New International-vertaling [en NBG’51-vertaling]. Want als een haan meer dan één keer achter elkaar kan kraaien (en vaak doet), zou er geen tegenstrijdigheid zijn (de eerste en tweede kraaien samen genomen, met Petrus die de voorspelling van Jezus over het tweemaal kraaien herinnerde). We mogen er immers zeker van zijn dat als een haan twee keer kraait, hij tenminste eenmaal heeft gekraaid. Marcus sluit daarom slechts meer informatie dan de andere evangelieschrijvers in zijn verslag in.

Hoewel ik niet deskundig ben op het gebied van de manuscripten die voor de King James-vertaling gebruikt werden en niet veel weet waarom latere, accuratere vertalers genoeg manuscriptbewijs hadden om vers 68 en niet de andere verzen weg te laten, denk ik dat de eerste reden waarschijnlijker is.

49. Jezus droeg wel (Johannes 19:17) of niet (Matteüs 27:31-32) zijn eigen kruis?

(Categorie: de teksten verkeerd gelezen of de teksten zijn verenigbaar met een beetje denkwerk)

Johannes 19:17 zegt dat hij zijn eigen kruis naar de schedelplaats droeg. Matteüs 27:31,32 vertelt ons dat hij uitgeleid werd om te worden gekruisigd en dat alleen toen zij op weg naar Golgotha gingen, Simon gedwongen werd het kruis te dragen.

Marcus 15:20,21 is het met Matteüs eens en geeft ons de additionele informatie dat Jezus van de binnenplaats van het paleis (Pretorium) vertrok. Zoals Simon onderweg was, is het duidelijk dat hij die straat aan het passeren was. Dit betekent dat Jezus zijn kruis over een bepaalde afstand, van het paleis tot de straat droeg. Verzwakt door zijn geseling en marteling is het waarschijnlijk dat hij instortte onder het gewicht van het kruis of erg langzaam voortschreed. In ieder geval dwongen de soldaten Simon om het kruis voor hem te dragen. Lucas 23:26 is in overeenstemming, zeggend dat Simon gegrepen werd toen zij Jezus wegleidden.

Dus de tegenstrijdigheid verdwijnt. Jezus begon met het dragen van het kruis en Simon nam het over op een bepaald punt tijdens de reis.

50. Stierf Jezus voor (Matteüs 27:50-51; Marcus 15:37-38) of nadat (Lucas 23:45-46) het gordijn in de tempel was gescheurd?

(Categorie: de tekst verkeerd gelezen)

Na het lezen van de drie passages Matteüs 27:50-51, Marcus 15:37-38 en Lucas 23:45-46, is het niet duidelijk waar de ogenschijnlijke tegenstrijdigheden zijn waar Shabbir opwijst. Alle drie passages wijzen op het feit dat op het moment van Jezus’ dood het gordijn in de tempel scheurde. Het houdt niet stand te concluderen dat, omdat zowel Matteüs als Marcus de gebeurtenis van Christus’ dood voor de scheuring van het gordijn noemen, en Lucas die gebeurtenissen in omgekeerde volgorde noemt, dat zij daarom in tegenspraak zijn, aangezien Matteüs uitspreekt dat de twee gebeurtenissen gebeurden ‘Op dat moment’ en de andere twee passages dit nergens ontkennen.

Zij zijn het allen eens dat deze twee gebeurtenissen om een erg goede reden tegelijkertijd gebeurden; want het gordijn was daar als een barrière tussen God en de mensen. Zijn vernietiging valt samen met de dood van de messias. Sinds de uitsluiting van Adam van Gods aanwezigheid in de hof van Eden wordt de mens voor het eerst de gelegenheid gegeven om opnieuw met hem herenigd te worden.

51. Zei Jezus alles openlijk (Johannes 18:20) of sprak hij in het geheim met zijn discipelen (Marcus 4:34, Matteüs 13:10-11)?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

De reden dat men zegt dat Jezus zichzelf tegenspreekt over het spreken van dingen in het geheim of niet, in bijzonder de gelijkenissen, is vanwege een tekort aan tekstuele en culturele contekstualisering. Dit antwoord vereist belangrijke achtergrondinformatie; een gedeelte hoop ik kort hier weer te geven.

Allereerst, wat is een gelijkenis? Het is een verhaal gegeven om op te helderen, om te benadrukken of om een lering te illustreren en geen lering op zichzelf. Jezus was een joodse Rabbi. In Rabbinische literatuur zijn er ongeveer 4000 gelijkenissen opgenomen. Rabbi’s vinden het een goede methode om hun onderwijs in drie delen te verdelen, waarbij het laatste deel typisch twee gelijkenissen is die de eerste twee delen vertegenwoordigen. Jezus gaat verder met deze traditie door een derde van zijn opgeschreven onderwijs in de vorm van gelijkenissen te geven. Hij gebruikte een rijkdom aan beelden die de Israëlieten in die dagen kenden, door gebruikt te maken van gewone motieven zoals planten, dieren, etc. Daarom was de lering van ieder van Jezus’ gelijkenissen helder aan al de luisteraars, wat we in de evangeliën ook zien. Gelijkenissen waren zo rijk en ook zo subtiel dat ze niet alleen de gewone luisteraars helder en eenvoudig een les leerden, maar de geleerden konden ze ook omdraaien in hun gedachten en er meerdere betekenissen uit afleiden. Dus, Jezus ging vaak verder in de uitleg van een gelijkenis tot zijn discipelen, zijn intieme studenten, als antwoord op hun vragen, of om hen verder te instrueren zoals iedere joodse Rabbi deed.

Dit kun je zien wanneer je Marcus 4:34 in zijn context leest: “33 Met zulke en andere gelijkenissen maakte hij hun [de menigten]het goede nieuws bekend, voorzover ze het konden begrijpen; 34 hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen [om de les te verhelderen, te benadrukken of te illustreren], maar wanneer hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde hij hun alles [leerde hen meer, want zij konden meer dan de menigten begrijpen].” (Marcus 4:33-34)

Daarom waren gelijkenissen geen lessen in het geheim. Zij zijn geen esoterische kennis die alleen aan ingewijden gegeven zijn. Het heeft geen betekenis (noch heeft het enig historische grond) te zeggen dat Jezus rondtrok om zijn toehoorders te verwarren. Hij trok rond om mensen te onderwijzen en te instrueren. Dus toen Jezus tijdens proces in het hof (Johannes 18:20) over zijn onderwijs ondervraagd werd, zei hij iets als “Ik onderwees in het publiek – iedereen hoorde mijn woorden. U weet dat ik onderwees. Ik onderwees niet in het geheim.” En hij sprak de waarheid.

Als dit alles waar is, wat zijn deze “geheimen van het koninkrijk van de hemel” waar Jezus over spreekt? Het enige ‘geheim’ (“... de onthulling van het geheim waarover eeuwenlang gezwegen is, maar dat nu is geopenbaard en op bevel van de eeuwige God door de geschriften van de profeten bij alle volken bekend is geworden om ze tot gehoorzaamheid en geloof te brengen" (Romeinen 16:25-26)) is dat Jezus Heer is!

De geheimenis was dat Jezus’ missie door de profeten voorspeld was, dat hij de vervulling van deze profetieën was en de grootste openbaring die ooit aan de mensheid gegeven zou worden. Zijn woorden waren niet alleen om mensen te redden, maar ook om mensen te oordelen. Zodat zij: “zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.” (Matteüs 13:14) zoals veel van de hoorders van de gelijkenissen ongewillig waren zich te bekeren en zich aan God te onderwerpen.

Veel mensen die van Jezus’ onderwijs genoten, kwamen voor de fijne morele lezingen en de excellente gelijkenissen, maar niet velen volgden hem aangezien de kosten te groot waren (zie Lucas 9:57-61, 14:25-27,33). Echter het waren deze dingen die zijn discipelen begonnen te begrijpen omdat zij Jezus werkelijk volgden. De geheimenis van het koninkrijk van de hemel is wat hij in Matteüs 13:10-11 aan zijn discipelen uitlegde:

16 Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen [in tegenstelling tot de menigten]! 17 Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen. [aangezien zij niet leefden toen Jezus leefde – alle profeten leefden voor hem].

De geheimenis is Jezus is Heer, Jezus is koning, Jezus is messias, Jezus is de ene over wie al de profeten spraken, de redding van de mensheid, Gods grootste openbaring, de alfa en de omega (Openbaring 21:6-8, 22:12-16), de enige weg om in het rechte met God te komen (Johannes 3:36, Romeinen 6:23).

52. Was Jezus aan het kruis (Marcus 15:23) of in het hof van Pilatus (Johannes 19:14) op het zesde uur van de dag van de kruisiging?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

Het eenvoudige antwoord hierop is dat de synoptische schrijvers (Matteüs, Marcus en Lucas) een verschillend systeem van het tellen van de uren van de dag gebruikten dan dat door Johannes gebruikt werd. De synoptici gebruiken het traditionele Hebreeuwse systeem, waar de uren vanaf zonsopgang geteld werden (ongeveer 6:00 in moderne tijdsrekening), waardoor de kruisiging om 9:00 uur het derde uur volgens dit systeem is.

Johannes, aan de andere kant, gebruikte de Romeinse civiele dag. Dit beschouwt de dag van middernacht tot middernacht, zoals wij dat vandaag de dag doen. Pliny de Oudere (Natural History 2.77) en Macrobius (Saturnalia 1.3) vertellen ons beiden veel. Dus, doordat Johannes het Romeinse systeem gebruikte, was het proces van Jezus rond het zesde uur (6:00) ‘s nachts in zijn laatste stadium, dat volgens de Hebreeuwse tijdsrekening die de synoptici gebruikten, het eerste uur was. Tussen dit punt en de kruisiging onderging Jezus een brutale afranseling en werd herhaaldelijk door de soldaten in het Pretorium bespot en geslagen (Marcus 15:16-20). De kruisiging zelf gebeurde aan het einde van de het derde uur in de Hebreeuwse tijdrekening, wat het negende in het Romeinse of 9:00 in ons hedendaags denken is.

Dit is niet slechts een nette verdraaiing om van een probleem verlost te zijn, omdat er iedere reden is om te veronderstellen dat Johannes het Romeinse systeem gebruikte, zelfs hoewel hij net zo joods als Matteüs, Marcus en Lucas was. Johannes’ evangelie werd geschreven na de andere drie, rondom 90 na Christus, toen hij in Efeze woonde. Dit was de hoofdstad van de Romeinse provincie van Azië, dus zou Johannes gewend zijn om de dag volgens Romeins gebruik in te delen. Verder bewijs wordt in Johannes 20:19 gevonden: ‘Op de avond van die eerste dag van de week ’. Dit was zondagavond, wat in Hebreeuws denken eigenlijk deel van de tweede dag was omdat iedere dag in dit systeem met zonsondergang begint. (Archer 1994:363-364)

53. De twee dieven met Jezus gekruisigd bespotten Jezus wel (Marcus 15:32) of niet (Lucas 23:43)?

(Categorie: te letterlijke interpretatie)

Deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid vraagt of de beide dieven die met Jezus gekruisigd werden hem bespotten of slechts één van hen. Marcus 15:23 zegt dat beiden het deden. Lucas 23:43 zegt dat één hem bespotte en één Jezus verdedigde. Het is niet erg moeilijk om hier te zien wat aan de gang was. De klaarblijkelijke conclusie is dat beide dieven Jezus in het begin bespotten. Echter, nadat Jezus zei: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij aan het doen zijn” leek één van de overvallers zijn hart te hebben veranderd. Hij bekeerde zich aan het kruis, terwijl de ander doorging in zijn bespotting.

Er is een les hier die niet over het hoofd gezien moet worden; dat de Heer ons in staat stelt op ieder moment te bekeren, het maakt niet uit welke misdaad of zonde we hebben begaan. Deze twee dieven zijn symptomatisch voor iedereen van ons. Wanneer sommigen van ons geconfronteerd worden met de werkelijkheid van Christus, gaan door hem te verwerpen en te bespotten, terwijl anderen hun zondigheid inzien en om vergeving vragen. Het goede nieuws is dat net zoals de dief aan het kruis, we op ieder moment van die zonde ontlast kunnen worden, zelfs wanneer ‘we de dood in de ogen kijken’.

54. Voerde Jezus op naar het Paradijs op dezelfde dag van de kruisiging (Lucas 23:43) of twee dagen later (Johannes 20:17)?

(Categorie: verkeerd begrepen hoe God in de geschiedenis werkt)

Het idee dat Jezus zichzelf tegenspreekt (of de evangeliën zichzelf tegenspreken) of hij naar het Paradijs na zijn dood aan het kruis was opgevaren of niet, ontstaat vanwege de vooronderstellingen over het Paradijs als ook de noodzaak om te contekstualiseren.

Jezus zei tot de dief aan het kruis: “nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.” Dit was inderdaad waar. Want de dief moest diezelfde dag sterven op aarde, maar in het paradijs is ieder dag in deze wereld “heden” aangezien de hemel buiten de tijd is.

Jezus zegt tot Maria Magdalena dat hij nog niet naar zijn Vader “opgevaren” was. Echter, dit kan ook vertaald worden als “teruggekeerd” naar zijn Vader.

Jezus was met God, en was God, voor het begin van de wereld (Johannes 1 en Filippenzen 2:6-11). Hij verliet al zijn heerlijkheid en werd geheel God, geheel mens. Later verhief God Jezus opnieuw naar de hoogste plaats, naar de rechterhand van zichzelfzelf (zie Handelingen 7:56). Dit had niet plaats gevonden in Johannes 20:17. Jezus zeggend “Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader.” sluit de mogelijkheid niet uit dat hij in de hemel was in “onze tijd” tussen zijn dood en opstanding” (hoewel de hemel buiten de tijd is). Als parallel (hoewel een onvolmaakte) voorbeeld, ik ga naar mijn oorspronkelijke huis en het gebied waar ik opgroeide maar keer daar niet terug. Terugkerend in de zin dat de tijd teruggedraaid wordt.

Echter, een waarschijnlijker uitleg volgt uit de context. Een andere manier om te zeggen: “Hou mij niet vast, want ik ben niet naar mijn Vader opgevaren. Echter ga daarentegen naar mijn broeders...” zou zijn: “Blijf mij niet vast houden Maria – Ik heb je niet geheel verlaten. Jij zult mij opnieuw zien. Echter nu wil ik dat jij naar mijn discipelen gaat om hen te vertellen dat ik spoedig naar mijn Vader ga, maar nu nog niet”.

Zowel de islam als het christelijke geloof kent de opstanding van het lichaam en de tussenliggende toestand. In Lucas stierf Jezus, en zijn geest voer op naar het Paradijs (zie vers 46). In Johannes stond Jezus lichamelijk op, en in die toestand was hij nog niet naar de Vader opgevaren.

Deze tijdfactor maakt dit wat paradoxaal maar de teksten sluiten elkaar niet uit. Er is geen tegenstrijdigheid.

55. Toen Paulus op de weg naar Damascus was zag hij een licht en hoorde een stem. Hoorden degenen die met hem waren de stem (Handelingen 9:7) of niet (Handelingen 22:9)?

(Categorie: het Grieks gebruik verkeerd gebruikt of de tekst is verenigbaar met een beetje denkwerk)

Hoewel hetzelfde Griekse woord (akouo) in beide verslagen is gebruikt, heeft het twee verschillende betekenissen: 1. Een geluid waarnemen en 2. Begrijpen. Daarom is de uitleg helder: zij hoorden iets maar begrepen niet wat het zei. Paulus, aan de andere kant, hoorde het en begreep het. Er is geen tegenstrijdigheid. (Haley p.359)

56. Toen Paulus het licht zag en op de grond viel, vielen zijn reisgenoten ook op de grond (Handelingen 26:14) of niet (Handelingen 9:7)?

(Categorie: het Griekse gebruik verkeerd begrepen of de tekst is verenigbaar met een beetje denkwerk)

Er zijn voor dit punt twee mogelijke verklaringen. Het woord ‘stonden’ betekent ook vastgenageld, ter plaatse wortel schieten. Dit is iets dat staande of liggende ervaren kan worden.

Een alternatieve uitleg is deze: Handelingen 26:14 zegt dat het eerste op de grond vallen gebeurde toen het rondom flitste, voordat de stem gehoord werd. Handelingen 9:7 zegt dat de mensen ‘sprakeloos stonden’ nadat de stem gesproken had. Er zou genoeg tijd voor hen zijn om op te staan toen de stem tot Saul sprak, zeker als het geen betekenis voor hen had. Saulus, aan de andere kant, begreep de stem en was zonder twijfel met angst aan de grond genageld omdat hij plotseling realiseerde dat hij lange tijd Gods volgelingen aan het vervolgen en aan het doden was. Hij was in feite God aan het tegenwerken van wie hij dacht dat hij hem aan het dienen was. Deze verschrikkelijke bewustwording hield hem duidelijk langer aan de grond dan zijn reisgenoten. (Haley p.359)

57. Vertelde de stem Paulus wat hij ter plaatse moest doen (Handelingen 26:16-18) of werd hij geboden om naar Damascus te gaan om verteld te worden wat te doen (Handelingen 9:7; 22:10)?

(Categorie: de historische context verkeerd begrepen)

Paulus werd zijn plichten in Damascus verteld zoals we in Handelingen 8 en 22 zien. Echter, in Handelingen 26 is de context verschillend. In dit hoofdstuk maakt Paulus zich geen zorgen over de chronologische of geografische volgorde van de gebeurtenissen omdat hij spreekt tot mensen die zijn verhaal kenden.

In Handelingen 9:1-31 beschrijft Lucas, de auteur van Handelingen, de bekering van Saulus.

In Handelingen 22:1-21 doet Lucas verslag van Paulus die tot de Joden spreekt, die Paulus kenden en die hem lieten arresteren en in de Romeinse legerkazernes in Jeruzalem vasthielden. Hij spreekt tot de Joden van de kazernetrappen en begint met zijn geloofsbrieven als een jood, voordat hij hen een gedetailleerd verslag geeft van zijn ontmoeting met de Heer Jezus Christus en zijn bekering.

In Handelingen 26:2-23 doet Lucas verslag, echter, van de toespraak van Paulus, (die gedurende tenminste twee jaar in de gevangenis zat na zijn arrestatie in Jeruzalem en na zijn toespraak in Handelingen 22). Dit werd aan de Romeinse gouverneur Festus en koning Herodes Agrippa gegeven, beiden waren reeds bekend met de zaak. (Lees de voorafgaande hoofdstukken). Daarvoor hadden zij geen volledige uitleg van Paulus zaak nodig maar een samenvatting. Die Paulus hen ook precies geeft. Paulus onderstreept dit verder door hen te herinneren aan zijn Joodse geloofsbrieven met de zin: “Ik leefde als een Farizeeër” in tegenstelling tot twee zinnen in Handelingen 22:3. Paulus is later in het hoofdstuk ook bewust dat koning Agrippa weet van de dingen die in de verzen 25-27 gebeurd waren.

58. Stierven 24.000 Israëlieten in de plaag te 'Sittim' (Numeri 25:1, 9) of waren het er slechts 23.000 Israëlieten die stierven (1 Korintiërs 10:8)?

(Categorie: het incident met een andere verward)

Deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid vraagt hoeveel mensen aan de plaag stierven die in Sittim (dat incidenteel in Shabbirs pamflet verkeerd gespeld wordt als ‘Shittin’) plaats vond. Numeri 25:1-9 en 1 Korintiërs 10:8 worden gecontrasteerd. Shabbir verwijst hier naar de verkeerde plaag.

Als hij gekeken had naar de context van 1 Korintiërs 10 zou hij opgemerkt hebben dat Paulus naar de plaag in Exodus 32:28 verwees. Deze plaag vond plaats onder de Israëlieten bij de berg Sinaï en niet onder de Moabieten te Sittim (Numeri 25). Bij twijfel zie vers 7 van 1 Korintiërs 10, dat bijna exact citeert uit Exodus 32:6, “Ze gingen zitten om te eten en te drinken, en stonden daarna op om uitbundig feest te vieren.

Nu zijn er die zeggen dat het aantal gesneuvelden in het Exodus 32-verslag 3.000 was (Exodus 32:28), een ander schijnende tegenstrijdigheid. Echter, één die gemakkelijk gecorrigeerd kan worden als je de rest van de tekst leest. De 3.000 doden in vers 28 geven alleen de gesneuvelden weer die door mannen met zwaarden gedood werden. Dit wordt gevolgd door een plaag in vers 35 die de Heer bracht op degenen die tegen hem zondigden: “De HEER strafte het volk, omdat ze het kalf hadden gemaakt, het beeld dat Aäron gegoten had.” Het is deze plaag waar Paulus